Cultuur

Interview

Interview

In White Sun begraven twee broers hun vader volgens oude religieuze traditie.

‘Film kan helpen met de verzoening na een burgeroorlog’

Regisseur Deepak Rauniyar

De Nepalese regisseur Deepak Rauniyar maakte een film over twee broers die hun geschillen moeten bijleggen bij de begrafenis van hun vader, een allegorie voor het Nepal van nu.

Nepal is een van de jongste filmculturen ter wereld, vertelde regisseur Deepak Rauniyar (1978) begin dit jaar op het Filmfestival Rotterdam. In de jaren zestig importeerde koning Mahendra filmmakers uit het naburige India om propagandafilms te maken voor zijn regime. Met de digitale revolutie van de jaren negentig kwam er iets van een zelfstandige filmproductie op gang, maar tussen 1996 en 2006 zorgde de burgeroorlog tussen royalisten en maoïstische guerrilla’s weer voor stagnatie.

In zijn tweede speelfilm White Sun probeert Rauniyar niet alleen in het reine te komen met de periode na de burgeroorlog (de witte zon uit de titel verwijst naar de nieuwe vlag), maar probeert hij ook een impuls te geven aan een nieuw filmbewustzijn in zijn land. „Ik was zeventien toen de maoïstische rebellen de burgeroorlog begonnen. Bijna 22 jaar later is die oorlog misschien wel afgelopen, maar de beide partijen moeten zich nog steeds met elkaar verzoenen.”

Rauniyar vertaalde dat gegeven in een allegorische film, die qua stijl aansluit bij het internationale ‘slow cinema’–idioom van de artfilm: veel observaties met aandacht voor ritueel en traditie. „De film speelt zich af in 2015, ten tijde van het opstellen van onze nieuwe grondwet. Hij gaat over twee broers die hun vader moeten begraven. De een is een traditionalist, de ander een maoïst, de vader staat voor het oude regime. Het is nog niet zo eenvoudig om samen te werken en zijn lichaam uit het huis te krijgen.”

Rauniyar debuteerde in 2012 op het filmfestival Berlijn met Highway, over een busreis van Oost-Nepal naar Kathmandu die ernstig wordt vertraagd door een ‘bandh’, een algemene staking die het hele openbare leven plat legt en die inmiddels bij de wet verboden is.

Daarvoor was Rauniyar werkzaam als filmjournalist. „Ik had veel commentaar op de Bollywoodklonen die in mijn land worden geproduceerd. Niet tot ieders genoegen: op een dag kwamen er mensen op de redactie protesteren. Toen besloot ik zelf films te gaan maken. Ik moest de verandering zelf bewerkstelligen.” Hij begon met reportages voor de lokale BBC – „om het vak te leren” – en liep stage bij een veteraan-regisseur die hij bewonderde. „Inmiddels worden er zo’n honderd film- en videoproducties per jaar gemaakt in Nepal”, vertelt hij, „maar er is nog steeds te weinig scholing en al helemaal geen solide systeem van financiering.”

Strijd van het platteland

Film kan een belangrijke rol spelen bij het proces van waarheidsvinding en verzoening na burgeroorlogen, vindt Rauniyar. Toen de burgeroorlog uitbrak was hij zelf net klaar met de middelbare school en studeerde hij in Kathmandu. „Daarom werd mijn dagelijkse leven niet zo door de oorlog beïnvloed. Pas als ik thuis kwam, zag ik het effect op mijn ouders en broertjes en zusjes. De oorlog was echt een gevecht tussen traditie en vooruitgang, tussen stad en de bergdorpen, meer nog dan tussen maoïsten en aanhangers van de koning. Het was een strijd van het platteland. Je moet je bedenken dat sommige dorpen alleen na een voetreis van een paar dagen te bereiken zijn. Dat maakt ze in het ene geval traditioneel en in zichzelf gekeerd en in het andere geval een makkelijke prooi voor rebellen. Want de politie en het gezag bevinden zich twee dagen verderop.”

Hij memoreert een gebeurtenis uit zijn jeugd, toen hij alleen thuis was, buiten de afwas deed en door een passerende man van een hogere kaste in elkaar werd geslagen. „Zomaar. Om niets. De maatschappij zat heel hiërarchisch in elkaar. De rijken waren rijk en de armen zouden het nooit beter krijgen. In ieder geval heeft de maoïstische revolutie ervoor gezorgd dat er meer gelijkheid is, dat het kastensysteem is afgeschaft, en dus ook de daaruit voortvloeiende onderdrukking van vrouwen door mannen.”