Cultuur

Interview

Interview

Ernst Jansz: ‘Ik ben altijd bang gebleven iemand teleur te stellen’

Ernst Jansz (69) verloor door het kampsyndroom van zijn vader zijn spontaniteit en openheid. Muziek met CCC Inc. en Doe Maar bleek voor depressie een goede uitlaatklep. Op zijn nieuwe album keert hij terug naar zijn beginjaren als muzikant.

Dag en nacht muziek maken, dat was het ideaal van zes hippies uit Amsterdam, samen de folkband CCC Inc. Tot groot afgrijzen van de inwoners streken ze neer in een afgelegen boerderij aan de rand van het Brabantse dorpje Neerkant. Die was overtollig verklaard door ruilverkaveling, een idyllische prachtontdekking in het bos. Eigenhandig knapten ze de boerderij op om er te wonen met hun vriendinnen. Ze verdeelden de ruimten, sloegen de schotten uit de koeienstal voor een repetitieruimte. Er kwamen een moestuin en een wietplantage. In de commune zou alles worden gedeeld: de inkomsten, voedsel en de idealen om ‘het tij te kunnen keren’.

Ze werden beschouwd als langharig, werkschuw tuig, zegt zanger, componist en schrijver Ernst Jansz (69). „Sodom en Gomorra, dat ligt allemaal in één bed, dacht het hele dorp. Wisten zij veel. Want op bier en marihuana na waren we best braaf en netjes op onze eigen kamers met onze eigen vriendinnen.” „Ik was een hippie”, zingt hij op zijn nieuwe album De Neerkant. „En misschien ben ik het nog steeds.”

Al eerder beschreef Jansz een deel van zijn leven in boeken en liedjes. Molenbeekstraat (2006) ging over zijn jeugd in Amsterdam. De Neerkant, een boek en een album met achttien liedjes, sluit er op aan. Van het begin van de commune, met CCC Inc. spelend op alle festivals, tot aan de eerste jaren van zijn succesvolle Nederpopband Doe Maar, opgericht in 1978.

‘Wonderbaarlijke levensreis’

Ook toen de commune uit elkaar viel bleef de in Amsterdam geboren Jansz in Neerkant wonen. Nooit meer weg van de boerderij. „Al dat groen om me heen. De sterren zien bij thuiskomst na concerten. Ja, ik woonde altijd ver in Oost-Brabant, maar ik reed graag terug naar huis.” Een paar minuten verder van de boerderij ligt de studio waar hij zijn nieuwe soloalbum opnam. Buiten aan de picknicktafel zit Ernst Jansz er in de herfstzon. Een zachte, bedachtzame prater die zijn woorden zorgvuldig wegen kan, enthousiast als hij is over taal. Een grijns. „Maar ik heb gefaald in het aanleren van het prachtig Neerkantse dialect.”

De uitgebrachte werken zijn een blik op „wie hij al die jaren was”. Vijftig jaar muzikant, het voelt als een „wonderbaarlijke levensreis”. Alles liep in cirkels, ziet hij. De hippietijd ging voorbij, maar hij is altijd blijven toeren met CCC Inc. De Doe Maar-gekte – van jeugdnostalgie naar een status met mythische proporties. En nog altijd brengen hij, Henny Vrienten, Jan Hendriks en René van Collem de punky boodschap, de luie ritmiek van reggae, de opwinding van ska, zoals afgelopen zomer op alle festivals. Onbeperkt houdbaar tot weer een volgende reünie.

Wat ook steeds doorgaat: zijn soloverrichtingen. Zoals zijn kijk op Bob Dylans liedjes in 2010. Hij is trots op zijn muzikale wegen. Al wilde 90 procent van hem geen ster worden.

Foto Andreas Terlaak

Eigenlijk zou hij gaan studeren. Hij deed dat ook braaf, drieënhalf jaar biologie met scheikunde als tweede hoofdvak in Amsterdam, met de bedoeling biochemicus te worden. Licht spottend: „Ik wilde het bewustzijn ontrafelen. Dat leek me wel fantastisch.”

Of hij wasbord kon komen spelen in een bandje? Ja, zei Jansz, nooit gedaan, maar graag. Hij haalde zijn kandidaats nog, maar kon de lokroep van het bandje, dat een boegbeeld werd van de hippiebeweging en overal speelde waar het maar gebeurde, niet weerstaan. „Deel uit te maken van een beweging die de wereld beter wil maken, dat vond ik prachtig. Ik ging mee demonstreren en kwam graag in de commune in Brabant wonen.”

Jansz was toen 21 jaar. Wat voor jonge man hij toen was? Gesloten, introvert, weet hij nog. Het verlies van zijn vader na een kort ziekbed voelde op zijn zeventiende als een doodsklap, waarna hij „als een zombie” rondliep. Weinig drong nog tot hem door. Onzeker werd hij in het maken van contact. De bandleden werden broers. De commune werd voor hem een nieuwe familie „die me de weg wees naar opnieuw mens worden. Via de band, via muziek kwam ik weer een beetje bij mijn emoties, kon ik weer wat voelen.”

De eenheid met de natuur, de intimiteit, de saamhorigheid; in de documentaire Terug naar Neerkant was eind 2011 al goed zichtbaar hoe de commune leefde. Hard had Jansz meegewerkt aan het bewoonbaar maken van de boerderij. Zijn drumstel stond midden in de deel opgesteld en hij speelde piano. In de commune voelde hij zich „redelijk gelukkig”, buiten bij het vuur, muziek. „Naast bestaande folk gingen we zelf liedjes schrijven.”

Toch kon de eenzaamheid hem ook hier overvallen. De komst van zijn jeugdvriendin hielp. Toen de commune uit elkaar viel, was hij heel verdrietig. „Delen is voor mensen moeilijk. En een woongemeenschap voelt als een huwelijk. Het is hard werken. En de vraag is of we daarvoor wel zo geschikt waren. Ach, aan zo veel zelfreflectie deden we toen nog niet. De jeugd is daar nu veel verder in.”

Onbevangen energie

Hij schudt zijn hoofd. Geluk. Vaak voelde hij het wel. Minstens zo vaak helemaal niet. Van zielsgelukkig kon hij vaak doorschieten tot verschrikkelijk zwaarmoedig. Dat tweeslachtige tekent hem, zegt hij. Als kind, herinnert hij zich, had hij vooral een open houding en onbevangen energie. Het zal, vermoedt hij, door „de geschiedenis” komen. Hij had een vader met een kampsyndroom. Na de oorlog was zijn vader depressief en mensenschuw. „Daar ga je je als kind op aanpassen, dan verlies je je spontaniteit en openheid. Mijn vader zat thuis altijd achter de kast. Die stond dwars, en erachter zat hij in een stoel met een lamp en een gordijntje ervoor. Als we thuiskwamen waren we voorzichtig. Konden we hem een beetje laten lachen, dan voelden we ons goed. Ik speelde Chopin voor hem. Hij was mijn beste vriend, ik deed alles voor hem.”

Tot er meisjes in beeld kwamen in zijn pubertijd. Zijn vader was er zeer teleurgesteld over, las Jansz na zijn dood in een bundel brieven.

„Ik had mijn vader in de steek gelaten. Dat was erg zwaar om te lezen. Schuldgevoelens hebben me verscheurd. En het overviel me altijd weer in relaties. Ik ben altijd bang gebleven om iemand teleur te stellen. Daar is heel wat therapie aan te pas gekomen.”

Voor depressies bleek muziek een fantastische uitlaatklep. „Dat hield me in leven. CCC Inc. had een serieuze insteek. Met Doe Maar, zeker met Henny Vrienten erbij, werd het losser, luchtiger, veel vrolijkheid in het busje. Niet onbekommerd, maar er kwam een lichtheid over de vorm.” Nu, bijna zeventig, herkent hij weer iets in zichzelf van dat kind van toen. „Ik moest er wat ouder voor worden maar ik kan nu zien hoe ik gevormd ben. Ik ben nu veel minder angstig voor het leven. Voel me optimistischer. Alles is rustiger, ook in relaties met anderen. Het lukt me ook veel beter om zomaar iemand aan te spreken of grapjes te maken met vreemden.”

Onmacht

Album De Neerkant, met folkmotieven en een vleugje krontjongmuziek – zijn Indische roots – laat zich beluisteren als een soundtrack van die tijd. Odes aan de liefde, de nieuwe wereld, de blote meisjes… Jansz heeft zo zijn flashbacks naar de woongemeenschap. In protestliederen verbaast hij zich over machthebbers van zijn generatie. Die hippie, is hij dat misschien nog steeds, vraagt hij zich af. De idealen van toen, ja, die kan hij zo weer oproepen. „Alle ellende in de wereld komt door ongelijkheid, toch?” Dat hij zijn studiebeurs toen in de bandkas stopte, voelde logisch. Hij zou het zo weer doen.

Luister hier het album De Neerkant.

In nieuwe liedjes bezingt hij de onmacht die hij voelt over hedendaagse wereldproblematiek. Zoals het protestnummer ‘Dan Huilt Mijn Hart’, dat hij opnam met zijn 22-jarige dochter Luna. In de videoclip zijn beelden van de verwoest Syrische stad Aleppo te zien. Jansz de tekst, zij de muziek. Hij gitaar, zij op piano. „Zij kan zo mooi zingen, ik was apetrots. Ze wil niet optreden, maar ik heb haar overgehaald om wel een keer bij mijn albumpresentatie op te treden. Dat wilde ze wel doen voor mij.”

Een vreemde eend in de bijt is de nieuwe versie van ‘Belle Hélène’, wat Jansz betreft een „geslaagd” Doe Maar-liedje waarin tekst en muziek mooi op elkaar aansluiten. Een spontane ‘onetaker’ in de studio, meer gesproken – bijna gedragen – dan gezongen. Accenten zijn verlegd. „,Maar ik zing het met hetzelfde gevoel als toen ik het schreef.”

Ja, natuurlijk staat hij stil bij de tekst. De leden van Doe Maar lopen allemaal tegen de zeventig, teksten van tóén zijn een veelbesproken onderwerp. „Kunnen we dat nog wel zingen, vragen we ons vaak af. Of moeten we geforceerde aanpassingen maken, zoals in ‘Sinds een dag of 2’: ‘wel een beetje raar, 62 jaar?’. Maar dat is een zwaktebod, toch? We hebben altijd een fantastisch corrigerend vermogen op elkaar gehad. Dat was onze grote kracht. De conclusie: we zingen het zoals we het toen bedoelden. En juist deze zomer op de festivals zagen we dat voor jongeren zo’n nummer als ‘De Bom’ weer actueler is dan ooit.”

Het album De Neerkant is verschenen bij V2. Het boek met cd De Neerkant’ + bonus cd is verschenen bij In de Knipscheer.