Schoffelen en schroeien, de alternatieven voor Roundup zijn duur

Reportage onkruidbestrijding

Sinds het bestrijdingsmiddel Roundup verboden is, zijn gemeenten tientallen miljoenen meer kwijt aan milieuvriendelijke alternatieven. Het is een „grotere uitdaging dan vooraf ingeschat”.

iStock

Het onkruid in Zuidland hangt slap tussen de stoeptegels. Het is zojuist begoten met heet water. Gekookt. „Dit plantje is er geweest”, zegt Jan Pluim. „Ruik maar. Net spinazie in de pan.”

De Zuid-Hollandse gemeente Nissewaard, waar het dorp Zuidland onder valt, is anderhalf jaar geleden overgestapt op milieuvriendelijke onkruidbestrijding. „We deden het eigenlijk altijd al behoorlijk verantwoord”, zegt opzichter Pluim. Maar er kwam een verbod op het gebruik van glyfosaat, de werkzame stof in het chemische middel Roundup. „Sindsdien doen we het anders.”

Geladen met negenhonderd liter water rijdt een wagen rondjes op de parkeerplaats van het woonerf. Een brander verwarmt het water dat met enig gesis en stoomwolken gelijkmatig over het onkruid wordt gesproeid.

Sinds het verbod zijn gemeenten stukken duurder uit. Nissewaard gaf jaarlijks een ton uit. Nu is dat zes ton. Er wordt veel vaker geveegd. „Om te voorkomen dat plantjes kiemen.” Op lastig te bereiken plaatsen wordt het zand handmatig weggehaald. Vervolgens zet Nissewaard heet water in. Of branders, om onkruid weg te schroeien. Of hete stoom. De gecontracteerde aannemers rijden vijf of zes keer per jaar hun rondjes. „Dat was vroeger twee keer per jaar.”

Hernieuwde toelating

Anderhalf jaar na het verbod op het spuiten van glyfosaat, ingesteld door het kabinet, woedt er nog steeds een hevige strijd om het middel. Deze week gaan de lidstaten van de Europese Unie vermoedelijk akkoord met het voorstel van de Commissie om het middel, met enige restricties bij het gebruik, opnieuw tien jaar toe te laten. Dat is vooral voor de landbouw van belang.

Ook Nederland gaat akkoord, zo liet demissionair minister Kamp (Economische Zaken, VVD) eerder deze maand weten. Tot afgrijzen van onder meer Greenpeace, dat al heel lang actie voert vanwege de schade die het bestrijdingsmiddel aanricht bij mens en milieu. Bijna de helft, 45 procent, van alle landbouwgronden in Europa is vervuild met glyfosaat of met de resten daarvan, zo bleek vorige week uit internationaal onderzoek onder leiding van de Wageningen Universiteit.

Ook de waterschappen laten zich horen: „De Unie van Waterschappen is van mening dat als het nodig is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, dit zodanig moet gebeuren dat deze middelen niet in het oppervlaktewater terecht kunnen komen.”

De eventuele hernieuwde toelating voor de landbouw staat een verbod op gebruik door gemeenten niet in de weg. Sterker: vanaf komende maand is glyfosaat niet alleen verboden op verharde openbare ruimte, maar ook voor parken en sportterreinen. Tot onbegrip van aannemers en hoveniers mogen particulieren het nog wél gebruiken.

Over de gevaren voor de mens spreken onderzoeken elkaar tegen. De Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid EFSA ziet geen reden glyfosaat te verbieden, ook omdat de effecten van alternatieven niet duidelijk zijn. Andere onderzoekers wijzen op de mogelijke risico’s van kanker. Maar dat moeten we niet overdrijven, zegt hoogleraar toxicologie Martin van den Berg van de Universiteit Utrecht. Dat neemt niet weg dat het milieu wél schade oploopt. Van den Berg: „Als je afname aan biodiversiteit ziet, dan zeg ik: niet te veel spuiten alsjeblieft. Maar dat geldt eigenlijk voor alle bestrijdingsmiddelen.”

Pleksgewijs onkruid

Gemeenten worstelen intussen met de nieuwe milieuvriendelijke onkruidbestrijding. Het stoppen met spuiten op de stoep is „een grotere uitdaging dan vooraf werd ingeschat”, aldus het rapport van de Voedsel- en Warenautoriteit. „Vooral in de toeristische gemeenten worden de groenere pleinen en straten onacceptabel genoemd.”

Inderdaad zijn lang niet alle inwoners, ambtenaren en bestuurders van gemeenten er blij mee. Paul Slettenhaar, bestuurder van het Amsterdamse stadsdeel Zuid: „De kosten zijn in dit stadsdeel jaarlijks met een kwart miljoen euro gestegen. En de kwaliteit van het straatbeeld is lager.” Gemeenten kunnen zelf bepalen welk van vijf niveaus ze willen halen: van A-plus (‘geen onkruid’) tot D (‘veel onkruid’). In Amsterdam-Zuid geldt voor de Zuidas A-plus en voor het Museumplein A (‘nauwelijks onkruid’). Slettenhaar: „De rest is B.” Dat betekent: ‘pleksgewijs onkruid’. Slettenhaar: „Nederland staat bekend om z’n goede openbare ruimte. Die wordt bedreigd.”

In verschillende steden wordt meer geklaagd over het onkruid dan vóór het verbod. „We moeten beter communiceren over het hoe en waarom van de nieuwe onkruidbestrijding”, zegt Ria Manshanden, fractievoorzitter van GroenLinks in Medemblik, die daar onlangs een motie over indiende. „Het ziet er volgens sommige inwoners minder netjes uit, maar het is wel gezonder.”

Toch moeten we de nadelen niet dramatiseren, vindt de Amsterdamse gemeentelijk bomenconsulent Hans Kaljee. „Er zijn volop alternatieven voor Roundup”, zegt hij. „De kosten lopen inderdaad op. Maar als je die kosten afzet tegen de schade aan het milieu, dan valt dat mee.” Wat vindt hij van de uitspraak van Slettenhaar, dat woekerende planten het wegdek beschadigen en een opknapbeurt voor straten eerder noodzakelijk maken? Kaljee: „Eh, ik ben van de gemeente. Ik wil geen bestuurder afvallen. Maar mag ik dit toch onzin noemen?”