Column

Het ballonnetje dat Feyenoord heet

Als de Klassieker in de Kuip begint, stuur ik mijn auto langs een Amsterdamse gracht. De radio staat aan. Onder nasaal stadiongeluid rijd ik achteruit, omdat de weg is opgebroken in de buurt van het theater waar ik moet optreden. Het regent in Amsterdam net zo hard als in Rotterdam, tot zover een gelijkspel.

Ik vind een parkeerplaats, doe de radio uit en zet het verslag aan op mijn mobieltje. Met de ‘wedstrijd’ tegen mijn oor loop ik door de regen naar het theater.

Mensen lopen in zondags tempo onder paraplu’s. Kunnen ze aan mij zien voor welke club ik ben?

Ik herinner me een Rotterdamse jongen die tijdelijk in Amsterdam woonde. Hij had een hond met de naam ‘Feyenoord’. De jongen vond het heerlijk om in het Vondelpark de hond los te laten en dan heel hard zijn naam te roepen.

In kleedkamer 3 van theater Bellevue zet ik mijn laptop aan en kijk naar de wedstrijd. Het niveau is bedroevend. Lange ballen vliegen over de zijlijn, passes komen niet aan. Wat rest is de onderlinge strijd.

Het klassiekervirus is weer even actief. Het sluimert van jongs af aan in mijn onderbuik en wordt twee keer per jaar wakker. Een combinatie van zenuwen, honger, angst, verliefdheid, jeuk en maagzuur.

Er vallen gele kaarten en ze zijn allemaal terecht. Er is meer precisie in de tackles dan in trappen tegen de bal.

Een theatertechnicus komt binnen en hangt de kostuums klaar. Het is rust. Ik loop met hem mee naar het podium. Alles staat klaar; twee hakbijlen in boomstronken, hertengeweien, een hemels achterdoek en mijn contrabas.

„Het staat nog 0-0”, zeg ik.

Na een kwartiertje loop ik weer terug naar de kleedkamer en zie hoe Younes en Berghuis vlak voor de tweede helft vriendelijk met elkaar spreken. Er is kennelijk een fluitsignaal nodig om de rivaliteit op het veld tussen Ajax en Feyenoord te laten ontvlammen.

Huntelaar heeft die blos op zijn wangen, dan weet je dat hij het doel ruikt, zeker in de Kuip. Hij ramt de bal in de kruising en geniet van het vijandige stadion. Jørgensen mist even later een penalty.

Door de kleine speakers van mijn laptop hoor ik de geluiden uit het stadion, uit mijn stad. Het klinkt bijna vertrouwd, naar teleurstelling en apathie. Het ballonnetje dat Feyenoord heet, loopt sputterend leeg.

Mijn theaterkompaan Wim Opbrouck komt binnen na een lange autorit uit Vlaanderen.

„1-4”, zeg ik.

„Ach, jongen”, antwoordt hij en klapt me op de schouder.

Ik doe de laptop dicht en kijk in de spiegel: weer een jaartje ouder geworden, zo lijkt het. Nog even en we moeten spelen.

In de nog lege zaal pak ik mijn contrabas en begin als een wildeman te plukken.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.