Een buitenlandse coach voor Oranje. Waarom niet?

Nederlands Elftal

Het Nederlands voetbalelftal onder leiding van een buitenlander, dat ligt gevoelig. Maar waarom werkt die combinatie wel bij handbal, volleybal en hockey? „Bij voetbal is nationalisme vele malen sterker.”

Wie Dick Advocaat moet opvolgen als bondscaoch van het Nederlands voetbalelftal is nog onduidelijk. Foto Koen van Weel/ANP

Tegenstrijdig is het wel, die discussie over de (on)wenselijkheid van een buitenlandse bondscoach voor het Nederlands voetbalelftal. Bij hockeyers, handballers en volleyballers, allen actief op olympisch niveau, is het geen hot item. In die teamsporten komen de bondscoaches uit alle windstreken: Amerika, Australië, Argentinië, Denemarken of IJsland. En hun afkomst was nooit een punt van discussie. Wereldvreemd, die voetballers?

Nee hoor, reageert sportsocioloog Agnes Elling. Maar bij voetbal draait het, meer dan in welke andere sport, om het nationale gevoel, met Oranje in extremis. „Voetbal is onze trots, daar laten wij Nederlanders ons op voorstaan. Daarom ligt de aanstelling van een buitenlander als bondscoach gevoeliger. Olympische medailles maken ons ook blij, maar dan voor even. Het land staat er niet van op zijn kop. Voetbal is van een andere orde. Daar is het nationalisme vele malen sterker”, redeneert de aan het Mulier Instituut verbonden Elling, die altijd de voorkeur zou geven aan een Nederlandse bondscoach, maar snapt dat aan de top uit sportieve overwegingen nationaliteit ondergeschikt is aan kwaliteit.

Hoogwaardige bondscoach

Zo is het maar net, betoogt Sjors Röttger, die sinds enkele maanden zijn rol als technisch directeur heeft ingeruild voor die van algemeen directeur bij het handbalverbond NHV. Vijftien jaar heeft de bond strikt voor een Nederlandse bondscoach gekozen, totdat het nationale vrouwenteam de grauwe middelmaat ontsteeg, tweede werd op het WK van 2015 en in het daaropvolgende jaar met een vierde plaats aan een medaille rook op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Bij dat hoge niveau hoort een hoogwaardige bondscoach. En die was na het vertrek van Henk Groener in Nederland niet beschikbaar, constateert Röttger.

Tegen die achtergrond had de directeur aanvankelijk enige reserve bij de aanstelling van de Deense Helle Thomsen in de herfst van 2016, maar met een zilveren medaille op het EK bevestigde ze vorig jaar haar reputatie als topcoach. Na Groeners afmars stonden ook assistent-bondscoach Peter Portengen en Monique Tijsterman, destijds nog trainer van de mannen van landskampioen Lions, op Röttgers lijstje. Maar zij misten een cv van internationale allure. „Daarom viel de keus op Thomsen, die naar onze inschatting meer dan Portengen en Tijsterman kan inbrengen. En we willen nadrukkelijk nog een stap maken met het nationale vrouwenteam.”

Nederlands paspoort

Een herkenbare opvatting voor Arno den Hartog, technisch directeur van de hockeybond KNHB. Ook bij die federatie is bij de benoeming van bondscoaches kwaliteit leidend, zij het dat hij aan mannencoach Max Caldas en Alyson Annan, diens collega bij de vrouwenploeg, niet het labeltje ‘buitenlander’ wil hangen. Omdat zij al zo lang in Nederland werkzaam zijn, dat ze cultureel vrijwel zijn gesublimeerd. Bovendien heeft de van oorsprong Argentijnse Caldas een Nederlands paspoort en zit de uit Australië afkomstige Annan middenin een naturalisatieprocedure. „Ik hoop binnenkort mijn Nederlands paspoort te krijgen”, zegt Annan, die zich daarnaast altijd een Australische zal blijven voelen. Nadrukkelijk: „Ik houd mijn Australisch hart, dus houd ik ook mijn Australisch paspoort.”

Bij volleybal is er sprake van kwaliteitsarmoede als het om een Nederlandse bondscoach voor het succesvolle vrouwenteam gaat. „Na het plotse vertrek van Giovanni Guidetti in 2016 stonden er wel degelijk Nederlandse namen op onze long list, maar niet meer op de shortlist”, vertelt technisch directeur Bram Ronnes van de volleybalbond Nevobo. „Bij gelijke geschiktheid kiezen wij voor een Nederlander, maar die was er niet. Wij willen met de vrouwenploeg prijzen pakken en dan zoek je iemand die weet hoe dat moet. De spoeling aan de wereldtop is nu eenmaal dun. Zo kwamen we uit bij de Amerikaan Jamie Morrison, die wel door ons verplicht werd met een Nederlandse assistent te werken, ook al zou die kwalitatief tekortschieten. Dat geldt overigens niet voor Eelco Bijl, die we onder Guidetti al zouden doorschuiven. We willen onze coaches perspectief bieden.”

Voor mezelf, maar vooral uit respect naar de speelsters, vind ik dat je als coach de taal moet leren

Alyson Annan, coach nationaal hockeyteam vrouwen

Aandachtspuntje bij buitenlands coaches is, naast culturele verschillen, vooral de taal. Die mag geen barrière zijn. Daarom kiest het handbalverbond bij voorkeur voor een Scandinavische of Duitse coach. „Die spreken altijd verstaanbaar Engels, want dat laat bij een Oost- of Zuid-Europese coach nog wel eens te wensen over”, verklaart Röttger zich nader. Bij de hockeycoaches speelt dat probleem amper, omdat zowel Caldas als Annan goed Nederlands spreekt. „Voor mezelf, maar vooral uit respect naar de speelsters, vind ik dat je als coach de taal moet leren”, redeneert Annan.

Maret Balkestein-Grothues, aanvoerder van het Nederlands volleybalteam, onderschrijft Annans opvatting. „Omdat je in een persoonlijk gesprek met de coach je gevoelens nu eenmaal het best in de moedertaal kunt uitdrukken. Maar een groot probleem vind ik het ook weer niet. Zo lang we elkaar begrijpen. Bij Morrisen was dat wennen, omdat wij aanvankelijk niet al zijn Amerikaanse uitdrukkingen doorhadden. Een killblock noemt hij een stuff. Nóóit van gehoord. Maar nu zijn die hindernissen weggenomen, hoor.”

Culturele eigenaardigheden

Belangrijk punt van aandacht voor de bonden is de visie, om te voorkomen dat een buitenlandse coach voor een slechts tijdelijke omwenteling zorgt. Het handbalverbond gaat daarin het verst. Röttger: „Wij eisen dat een bondscoach volgens onze handbalvisie werkt, dat is de belangrijkste voorwaarde bij een aanstelling. Wij willen dat onze nationale teams snel, effectief en vooral verrassend spelen, ongrijpbare handballers creëren. Voor de hockeybond geldt min of meer hetzelfde, met als motto: aanvallend attractief en verdedigend solide. De volleyballers opereren minder dwingend, want de lijn Morrison wijkt bijvoorbeeld significant af van de lijn Guidetti. Balkestein-Grothues: „Guidetti predikte passie. Onder hem trainden we veel zes tegen zes, game-like dus. Morrison leg de nadruk op techniek, bij hem gaan we meer de details in, waardoor we individueel vooruit zijn gegaan.”

Wat altijd blijft wringen zijn de culturele eigenaardigheden. Sportsocioloog Elling merkt op dat een autoritaire coach niet werkt in Nederland, waar gezagstrouw nooit vanzelfsprekend is. Hockeycoach Annan kan dat beamen. „Ik was gewend een coach te volgen. Maar eenmaal als speelster in Nederland zei een coach A en een vijftienjarige speelster naast mij in de kleedkamer B. Ik was stomverbaasd. Verder is er een verschil in beleving. Die is in Australië veel intenser. Ik zeg niet dat de ene cultuur beter is dan de andere, maar wennen was het wel.”

Wazig beroepsperspectief

Een wezenlijk verschil tussen voetbal en de andere teamsporten is het beroepsperspectief van trainers. De voetbalbond KNVB heeft een hoogwaardige opleiding, die uitzicht biedt op een professionele, goed betaalde baan, met uitschieters naar boven bij topclubs in het buitenland. Die toekomst is beduidend waziger, en in veel gevallen uitgesproken slecht, bij hockey, handbal en volleybal. Die bonden hebben weliswaar coachopleidingen, maar die sluiten niet of amper aan bij de wereldtop. Volleybalman Ronnes: „We hebben verbreding nodig van mensen die letterlijk brood in het coach-vak zien. Maar vooralsnog zijn we in Nederland afhankelijk van gepassioneerde ‘malloten’.”

Bij handbal wordt serieus werk gemaakt van een coachopleiding, zegt Röttger. Hij vertelt over een groep talentvolle coaches aan wie vijf jaar geleden een traject is aangeboden op het niveau dat kans biedt op een baan in een buitenlandse competitie. „Want zonder buitenlandervaring word je geen bondscoach”, claimt Röttger, die nog wel even moet uitleggen waarom de Nederlandse mannenploeg sinds kort ook een buitenlander – de IJslander Erlingur Richardsson – als bondscoach heeft. De handballers zijn ver verwijderd van de wereldtop. Had bij dat team geen Nederlandse coach gepast? In principe wel, beaamt Röttger. „We moesten na het plotse vertrek van Joop Fiege adequaat handelen. De mannen staan op een kruising. We beginnen ook voor hen een handbalacademie. Op het EK in Nederland in 2020 willen we een boost geven aan het team. Tegen die achtergrond zie ik wel de logica van een buitenlandse bondscoach.”