Column

De geheimen van Kim Philby

In Moskou loopt een tentoonstelling over de beruchte Britse dubbelspion Kim Philby. Er staan stoffige meubeltjes uit zijn Moskouse woning en er liggen gestolen Britse documenten met het opschrift ‘Top secret’, die Philby heimelijk tijdens en na de Tweede Wereldoorlog aan de Sovjet-Unie doorgaf. Daarmee heeft hij de dood van honderden verraden spionnen en verzetsstrijders op zijn geweten.

Kim Philby (1912-1988) heeft altijd sterk tot mijn verbeelding gesproken. Niet omdat ik ambities in die richting koester, maar vooral omdat zijn geest mij fascineert. Hoe krijgt iemand het voor elkaar tientallen jaren zonder gewetenswroeging straffeloos iedereen te besodemieteren – van zijn echtgenote en zijn boezemvriend tot aan de geheime diensten van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten?

Hij moet een briljant man zijn geweest. Officieel leidde hij de Britse contraspionage tegen de Sovjet-Unie, maar in werkelijkheid speelde hij de Russische geheime dienst allerlei belangrijke geheimen toe. Hij balanceerde al die jaren op een uiterst dun koord, maar zelfs toen er in de jaren vijftig ernstige verdenkingen tegen hem rezen, redde hij nog een hele poos het vege lijf.

Hij kon liegen of het gedrukt stond, sterker nog: alsof hij het zelf gedrukt had. Op YouTube staat een filmpje van een persconferentie die hij in 1955 gaf. Zijn naam is dan ten onrechte door de Britse regering gezuiverd van zware verdenkingen. Een journalist vraagt hem wanneer hij voor het laatst een communist heeft gesproken. „Sinds 1934 niet meer”, liegt hij.

Je kunt aan hem merken dat hij zich slecht op zijn gemak voelt tussen die journalisten, want hij geeft steeds korte, formele antwoorden. Men zal toen verondersteld hebben dat hij zo zwijgzaam was omdat hij zich als Britse spion aan zijn wettelijke geheimhoudingsplicht moest houden, iets waar hij tijdens die persconferentie ook steeds op wees. Maar hij had heel wat te verbergen.

Zijn collega-dubbelspionnen Guy Burgess en Donald Maclean waren vier jaar eerder naar de Sovjet-Unie gevlucht. Hij noemde dat op die persconferentie „betreurenswaardig”, hoewel hij zelf de hand had gehad in hun vlucht. Philby en zijn collega’s waren geestverwanten, ze hadden zich als studenten in Cambridge bekeerd tot het marxisme en wilden de Sovjet-Unie via spionage steunen. Uiteindelijk vluchtte Philby in 1963 vanuit Beiroet ook zelf naar de Sovjet-Unie, nadat hij ontmaskerd was dankzij de informatie van een Russische overloper.

Philby stierf in 1988 in Moskou. Op de tentoonstelling in Moskou, georganiseerd door een Russische staatsinstelling, wordt gesuggereerd dat de Russen Philby destijds met open armen hebben ontvangen.

Het tegendeel was het geval. Hij werd gewantrouwd, schrijft Ben Macintyre in het beste boek dat over hem geschreven is: A Spy Among Friends (Een spion onder vrienden). Hij kreeg een huis en een bescheiden toelage en hertrouwde met een jonge Russin. De waardering kwam pas veel later – hij mocht spionnen opleiden – en mondt nu uit in een eervolle tentoonstelling, omdat het past in Poetins nationalistische strevingen.

Philby hield meer van het marxisme dan van de Sovjet-Unie. Hij zag er te veel armoede. Niet zijn idealen, maar de machthebbers hadden gefaald, vond hij.