Column

Dag leven, hallo dorp

We reden in de middenklasser de polder in, de toekomst tegemoet. De avond ervoor waren we voor het laatst samen door de stad gefietst, naar een restaurant aan een gracht. Ik had er uiteindelijk best lang gewoond, maar was nooit een Amsterdammer geworden. Het was kermis op de Dam, altijd een hekel aan gehad, maar deze avond zag ik het leven. Het lawaai, de chaos, het getoeter, de opgestoken middelvingers: ik ging het allemaal missen.

Die fietstocht, en de rit terug naar huis, hadden er ingehakt.

Dag leven, hallo dorp.

„Waar fietsen we binnenkort eigenlijk naartoe?”, vroeg ik aan de vriendin. Ja, wist zij veel, de DekaMarkt voor de boodschappen. De oudste dochter (2) die sinds kort zomaar woorden uit zinnen pikt, begon het te herhalen. „Deka-markt, Deka-markt, Deka…”

Stil maar kind, dacht ik, zo leuk is dat niet voor papa en mama. Weer dat beeld van een week eerder dat was blijven hangen. Van een man met een cowboyhoed die er tussen de schuifdeuren tegen de regen in stond te roken.

„Altijd wind tegen hier”, zei de vriendin die uit het gebied kwam. Ze pikte de Zaankanters er zo uit in Amsterdam. Ze waren sneller dan de andere fietsers. Rug gebogen, hoofd naar beneden, geprogrammeerd om de wind te verslaan.

Fietsen door de polder, het meest deprimerend vond ik nog dat je de bestemming altijd al van ver ziet liggen. Een stipje dat maar langzaam dichterbij komt. Nee, dan de Veluwe, niets zo mooi als Gelderland. Rijden over de A12 en dan bij Wageningen de wereld groen en heuvelachtig zien worden.

Zouden mijn kinderen dat ooit krijgen als ze dit oneindig laagland binnenreden?

De jongste volgde met haar oogjes de ruitenwissers.

‘Kijk jongens, een enorme regenboog”, zei de vriendin, „het mooie is dat het hier zo plat is dat je de kop en de staart kunt zien.”

Daar stond het nieuwe oude huis.

Een indrukwekkend rijtje vuilnisbakken naast de schutting, voor iedere dag één. Bij de welkomstbrief van de gemeente was een afvalscheiding-kalender bijgevoegd, die lag op het aanrecht. Er moest weer van alles gebeuren. Het belangrijkste eerst: ik krabde met een schroevendraaier een sticker van AZ van de schuurdeur. Daarna gooide ik het gras uit de grasmaaier in de verkeerde bak. Toen we weer gingen, hing die regenboog met kop en staart er nog steeds. Mooi hoor.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.