Iedereen heeft overal wiskunde nodig

Holly Krieger

Wiskundige Holly Krieger kan wiskunde ook heel goed aan het grote publiek uitleggen: „Kunst is ook mooier met een gids erbij.”

Wie van wiskunde houdt, houdt van Holly Krieger. Fans van het vakgebied kennen haar van Numberphile, een serie YouTube-filmpjes waarin experts wiskundige weetjes aan geïnteresseerden uitleggen. Dan zie je Krieger bijvoorbeeld verontschuldigend lachen als ze „misschien wel de minst efficiënte manier mogelijk” aankondigt om het getal pi te bepalen. Waarna ze, krabbelend met dikke, zwarte stift op lichtbruin pakpapier, een benadering van pi tevoorschijn tovert uit de Mandelbrot-verzameling, een fractal, een plek waar je pi niet verwacht.

De Amerikaanse Krieger is wiskundedocent in het Engelse Cambridge. Onlangs was ze in Nederland om twee lezingen te geven: een bij de uitreiking van de Christiaan Huygensprijs, een proefschriftprijs van de KNAW, en een voor het John Adams Institute, dat Amerikaanse cultuur in Nederland promoot. Krieger sprak er over de wiskundige schoonheid van symmetrie.

Waarom vind je het belangrijk om wiskunde uit te leggen aan een breed publiek?

„Mag ik even nadenken voor ik antwoord geef? Ik wilde bijna iets chagrijnigs zeggen over de huidige toestand in de wereld.”

Na een paar seconden: „Ik denk dat wiskundekennis essentieel is om als burger goed te kunnen functioneren in de maatschappij. Stel, een politicus wil je stem, geld of tijd, en probeert je te overtuigen met getallen: dit of dat gaat 22 procent omhoog, we moeten iets doen! Om zoiets te kunnen evalueren, heb je basiskennis van wiskunde nodig. Met zuivere wiskunde breng ik de vaardigheid over om abstract te redeneren, logisch na te denken.

„Ik heb ook een minder praktisch antwoord. Uit een bezoek aan een kunstmuseum haal je zó veel meer als iemand die er verstand van heeft uitlegt: let hierop, kijk daarnaar. Je hele manier van kijken verandert door die toegevoegde kennis. Zelfs je emotionele beleving van de kunst verandert. En ik denk dat dat met wiskunde net zo werkt.”

Heb je een voorbeeld?

„Neem een beroemd onopgelost probleem: het onbewezen vermoeden dat er oneindig veel priemtweelingen bestaan. Dat zijn paren van priemgetallen die exact twee van elkaar verschillen, zoals 11 en 13, of 17 en 19. Ik kan wel zeggen dat dat een groot openstaand probleem in de wiskunde is, maar net als met die kunst moet iemand uitleggen wat er interessant aan is.”

Wat is er dan interessant aan?

„Natuurkundigen zoeken altijd naar het kleinste elementaire deeltje. Voor een wiskundige is dat het priemgetal. Elk geheel getal is een product van priemgetallen: het zijn de bouwsteentjes van de gehele getallen. Vervolgens komen daaruit de rationale getallen en de reële getallen voort, en alle wiskundige systemen die we gebruiken. En de vraag of priemgetallen oneindig vaak zo dicht bij elkaar zitten is heel simpel – dat vinden wiskundigen ook mooi – maar toch weten we het antwoord niet. We zijn nu trouwens wel dichtbij het bewijs dat het zo is.

„Als zo’n probleem meer diepte krijgt, leer je het waarderen. In mijn eerste studiejaar volgde ik een wiskundevak, Calculus 3, waarbij ik een semester lang integralen heb berekend terwijl ik niet begreep waarom dat moest. Daarna heb ik twee jaar lang geen wiskundevak meer gekozen. Ik denk dat het belangrijk is wiskunde over te brengen door het in een context te zetten.”

Houd je eigenlijk meer van onderzoek doen of meer van lessen en lezingen geven?

„Onderzoek doen. Het gemiddelde plezierniveau daarvan is erg laag, maar er zijn pieken van enorme tevredenheid. Eerst veel frustratie en dan plotseling: helderheid. Terwijl lesgeven altijd wel leuk is.”

Hoe ziet onderzoek eruit voor jou? Zitten met pen en papier?

„Voornamelijk wel, ja. En met collega’s praten: ik zag dat je dit had gedaan, denk je dat we die techniek op deze situatie kunnen toepassen? Maar meestal zit ik inderdaad met pen en papier om te kijken of iets werkt. Voor mij is dat deel van de aantrekkingskracht – niet dat ik daarom wiskunde ben gaan doen natuurlijk, maar ik vind het heel prettig om te zitten met een notitieboekje en een pen en te kunnen nadenken en wiskundige ideeën op te schrijven, of een beetje rekenen, zodat je in je eigen wereld terechtkomt.”

Als vrouw in de wiskunde ben je een minderheid, een voorbeeld voor andere vrouwen. Maar wat zijn de nadelen?

„Voor mij is het grootste nadeel dat ik, als iemand bijvoorbeeld mijn werk afwijst of arrogant advies geeft, nooit zeker weet of dat is omdat ik een vrouw ben. Dat vraag ik me dan af en ik houd er niet van dat dat denkruimte inneemt. En het is ook vervelend als je in een kring zit en iedereen wordt voorgesteld behalve ik; dat komt soms voor. Dan nemen ze aan dat ik iemands echtgenote ben en geen wiskundige. Of als ik met een collega over wiskunde wil praten maar hij wil het erover hebben dat ik een vrouw ben. Aan de andere kant: veel collega’s helpen de weinige vrouwen in de wiskunde graag, en dat geeft extra steun die de meeste jonge wiskundigen niet hebben.”

Dus jonge mannen hebben het moeilijker in de wiskunde dan vrouwen?

Ze lacht hartelijk: „Hahaha, nee!”

Jonge mannen vinden die steun voor vrouwen misschien oneerlijk.

„Absoluut. Elke verschuiving van automatisch voordeel hebben naar dat niet meer hebben, voelt oneerlijk. Daar heb ik best sympathie voor. Maar toch vind ik het volkomen duidelijk dat initiatieven voor meer vrouwen in de wiskunde een positief effect op het vak hebben.”