Opinie

Wat het Stedelijk nodig heeft: een bliksemafleider

Hoe verder met het Stedelijk Museum na Beatrix Ruf. pleit voor een tweede ruimte voor hedendaagse kunst, zoals in andere grote Europese steden.

Opzienbarende beelden in de overzichtstentoonstelling van Jeff Koons in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Foto: ANP / Marcel Antonisse

Het vertrek van Beatrix Ruf bij het Stedelijk Museum raakt het hele speelveld van de hedendaagse kunst in Amsterdam. Iedereen is het er wel over eens dat het vertrek onvermijdelijk was. Maar aan het vertrek ligt ook – direct of indirect – een discussie over het artistieke beleid ten grondslag en daarover lopen de meningen wel uiteen. Bij de zoektocht naar een nieuwe directeur zal het debat aan intensiteit winnen. Belangrijkste vraag: wat is eigenlijk de functie van het Stedelijk?

De serie artikelen in NRC over Beatrix Ruf begon met een verhaal over een machtsstrijd binnen het hoofdstedelijke museum: wel of geen ‘publieksvriendelijke’ blockbusters programmeren? Het is een fundamentele vraag, die helaas ook met karikaturen wordt gevoerd: een programmering met ‘grote namen’ is al snel een populistische knieval voor publiek (teveel focus op getallen!) en een avant-gardistisch programma verwordt in de woordenstrijd tot een in zichzelf gekeerd (elitair!) feestje voor een klein groepje ‘gelijkgestemden’. Vanzelfsprekend is meer nuance mogelijk.

Een uitdaging voor het Stedelijk is dat het inmiddels ‘alles’ moet zijn. Een plek voor zowel de klassieken als de mid-career-kunstenaars als de avant-garde. Ooit kon dat nog, onder Wim Beeren bijvoorbeeld, begin jaren negentig, toen we solo’s van én Frank Stella én Anselm Kiefer én Oskar Schlemmer én Jeff Koons voorgeschoteld kregen, met daarnaast grote, verkennende overzichten van kunst in Latijns-Amerika, de USSR en ambitieuze exposities als De Grote Utopie en Energieën. En dat binnen zeven jaar.

Het Stedelijk kan geen plek zijn voor zowel de klassieken als de mid-career-kunstenaars als de avant-garde

Robbert Roos

In het huidige museale klimaat zou dat onhaalbaar zijn; organisatorisch en financieel. Het organiseren van tentoonstellingen is zeer kostbaar geworden en subsidies zijn niet oneindig. Een museum als het Stedelijk moet zijn geld daarom ook uit ‘de markt halen’. Percentueel zelfs meer en meer. Dat is een realiteit.

De druk op het Stedelijk om ‘alles’ te zijn, komt mede door de uitgedunde infrastructuur in Amsterdam voor plekken waar hedendaagse kunst wordt geprogrammeerd. De ene na de andere middelgrote instelling ging de afgelopen tijd ter ziele of moest noodgedwongen inkrimpen. Het ‘Bureau’ van het Stedelijk – een projectruimte – werd in 2016 opgeheven. Smart Project Space/NASA ging failliet en hedendaagse kunstcentrum De Appel moest de toch al niet al grote ruimte aan de Prins Hendrikkade verlaten en kleiner worden.

De infrastructuur in Amsterdam voor middelgrote ruimtes bestaat nu uit FOAM en Huis Marseille (internationale fotografie), Oude Kerk (installaties) en Eye (filmgerelateerde kunst). Dit zijn instellingen met een specifieke agenda en geen van alle opgezet voor het bredere spectrum aan hedendaagse kunst. Daaromheen zwerven kleinere initiatieven (zoals W139, CBK Zuidoost, P////akt, Framer Framed, Kunstverein). Deze zijn echter vrij klein en missen (internationale) slagkracht.

Door het gemis van een middelgroot instituut op het terrein van de hedendaagse kunst, komt het Stedelijk extra in de wind te staan. Het museum heeft een ‘bliksemafleider’ nodig, zodat het niet ‘alles’ hoeft te doen. Tegelijkertijd kunnen dan meer stemmen klinken in het hoofdstedelijke kunstdiscours, wat het klimaat ten goede komt.

Zo’n meer generieke ‘middenruimte’ van pak hem beet 1.000 tot 1.500 vierkante meter expositieruimte is in veel andere grote steden aanwezig in de vorm van kunsthallen of musea voor hedendaagse kunst: WIELS (Brussel), kunsthal Charlottenborg en ARKEN Museum (Kopenhagen), Whitechapel en Serpentine (Londen), Palais de Tokyo (Parijs), Magasin III (Stockholm). In Duitsland is het model van de ‘kunsthal’ – tussen kleinere experimentele ruimtes en de ‘grote’ musea – zelfs in bijna elke grote stad te vinden.

Lees hier ons eerdere achtergrondverhaal over de strijd tussen Stedelijk-directeuren Karin van Gilst en Ruf.

Met de combinatie van het Stedelijk en zo’n nieuw, onafhankelijk instituut kan een breder palet aan kunst getoond worden in Amsterdam en hoeft de discussie niet in of-of te verzanden. Sinds de jaren zeventig is in Nederland ‘conceptuele kunst’ de heilige graal voor de progressieve kunstelite. Het lijkt er soms op dat kunst buiten deze relatief kleine bandbreedte niet wezenlijk serieus te nemen is. Maar dat laat veel prachtig werk uit het internationale galeriecircuit ongezien. Kunst die voor een groter publiek toegankelijk is, mainstream misschien, maar van topniveau. Precies het dilemma waar het Stedelijk intern mee lijkt te worstelen: hoe avant-gardistisch zijn we? Met een nevenruimte komt er meer ademruimte voor iedereen. Ook is het goed dat het aanbod van hedendaagse kunst in Amsterdam niet vanuit één dominant instituut aangestuurd wordt. Daarom ligt de oplossing ook niet in het heropstarten van het ‘Bureau’.

Zo’n plan heeft wel een probleem: de financiën. Het is ondenkbaar dat ‘de overheid’ dit zomaar financiert. Dus kom je uit bij het mecenaat. En dreigt de belangenverstrengeling waar Ruf nu zo hard op is afgerekend. Toch zijn zulke benefactors in het buitenland heel normaal.

Beatrix Ruf kwam mede in problemen door de verweving van haar rol als museumdirecteur en het adviseren van aankopen (ook het metier van het museum) bij particulieren. Zeker in de hedendaagse kunstwereld is dat een explosief mengsel. Zolang een directeur zich niet met zo’n tweede rol inlaat, is er geen enkel probleem om het particuliere mecenaat bij kunstinstellingen te betrekken.

De plek? Het oude marineterrein naast het Scheepvaartmuseum wordt herontwikkeld. Een perfecte locatie.