‘Vrije tijd hebben we eigenlijk niet’

Spitsuur Het kunstenaarspaar Dorien Melis (79) en Johan Claassen (74) werkt nog bijna iedere dag in hun atelier. „We kunnen het niet laten om kunst te maken. Het geluksgevoel als iets echt lukt!”

Dorien en Johan in hun huis in Bakel. Foto David Galjaard

Johan: „Nu we allang met pensioen zijn, hebben we het nog net zo druk als pakweg twintig jaar geleden. Als oudere kunstenaars hebben we nog niets ingeleverd qua creativiteit en productiviteit.”

Dorien: „We exposeren regelmatig. Johan heeft net een tentoonstelling gehad in Kunstruimte Kuub in Utrecht en er komt er één aan in Kunst on Location in Middelburg, eerst van Johan, daarna van mij.”

Johan: „Meestal doen we twee tot drie exposities per jaar.”

Dorien: „Gelukkig worden we nog steeds veel gevraagd.”

Johan: „Ja, ondanks het feit dat veel galeries hun deuren sluiten. Dat merken wij ook. Tien jaar geleden verkochten we op een opening tien tot vijftien werken, nu veel minder.”

Dorien: „Vorige winter heb ik in een galerie in Amsterdam maar twee werken verkocht en Johan ook.”

Johan: „Het probleem met ouder worden is dat galeriehouders met wie we al jaren samenwerken ermee stoppen. En ook onze kopers worden ouder. Die kopen niet meer of stoten hun kunst zelfs af. Daar zit iets logisch in. Toch ben ik als kunstenaar, voor mijn gevoel, nog nooit zo goed geweest als nu.”

Dorien: „Dat is best frustrerend.”

Johan: „We gaan toch door met kunst maken omdat we het niet kunnen laten. Je wilt altijd nóg beter werk maken. Het geluksgevoel dat je overvalt als iets echt lukt! En verkopen we het, dan is het mooi meegenomen, maar een mooie tentoonstelling vind ik belangrijker.”

Dorien: „Met opdrachten is het net zo. Ik heb in het verleden wel muurschilderingen gemaakt voor instanties, maar dat is uit. Je mag tegenwoordig al blij zijn dat ze de witkwast er niet overheen halen.”

Johan: „En opdrachten van particulieren zijn zeldzaam.”

Dorien: „Wat niet helpt qua geld is dat we allebei van een generatie zijn die commercie ondergeschikt vinden aan de kunst. Dat kreeg je vroeger niet mee in je opleiding, dat werd zelfs onfatsoenlijk gevonden.”

Johan: „Gelukkig hebben we pensioen en AOW, want ik heb twintig jaar lesgegeven aan kunststudenten en ook nog twaalf jaar in de textielindustrie in Helmond gewerkt, toen ik heel jong was.”

Altijd tijd tekort

Johan: „Vrije tijd hebben we eigenlijk niet. Bij alles wat we doen, denken we meteen aan werk.”

Dorien: „Als we reizen, doen we inspiratie op en nemen we wat materiaal mee om te kunnen werken.”

Johan: „Glaasje wijn erbij en gaan.”

Dorien: „We gaan vaak naar Griekenland, omdat ik daar vroeger veel ben geweest. Daar zag ik voor de eerste keer in mijn leven schitterende iconen. Misschien schilder ik daarom nog steeds graag op hout. Maar ook het licht inspireert me, net als de poëtische sfeer van het land. We zouden wel vaker op reis willen, maar dat kan financieel niet meer. Maar ook waar we wonen is een inspiratiebron. Vooral voor Johan, die bij een teveel aan melancholie graag hier is.”

Johan: „In de weekenden werken we ook.”

Dorien: „Het is niet zo dat we elke dag van tien uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds in ons atelier bezig zijn, maar toch elke dag wel een paar uur.”

Johan: „Ik kan me nu niet meer voorstellen dat ik ooit drie dagen per week lesgaf en ook nog eigen werk maakte.”

Dorien: „Ja, we komen altijd tijd tekort.”

Johan: „En als ik niet in mijn atelier ben, dénk ik over kunst en fotografeer ik dingen die me inspireren.”

Dorien: „En we bezoeken natuurlijk exposities.”

Johan: „Maar ons werk lijkt eigenlijk niet op werken. Wat je met plezier doet, is geen werk.”

Dorien: „Nou, dat zie ik anders. We zijn hard bezig en worden daar ook moe van.”

Johan: „Ik droom nog steeds van mijn werk in die textielfabriek in Helmond, dat was rond 1970. Die uitzichtloosheid, verschrikkelijk. Dat was gewoon niet het doel van mijn leven. Ik wilde toen al fulltime kunstenaar zijn, maar dat was financieel niet verantwoord. Moet je nagaan, mijn werk hing toen al in het Stedelijk en in het Noordbrabants Museum. Daarna heb ik als vrij kunstenaar enige tijd in de BKR gezeten, maar echt vrij kunstenaar voelde ik me pas toen ik les ging geven. Toen waren de financiële problemen voorbij.”

Een stap terug

Johan: „Ik ben hier in Bakel terechtgekomen na het overlijden van mijn partner. Nagenoeg op hetzelfde moment overleed de man van Dorien. Dat was in 1992.”

Dorien: „Ik woon al bijna vijftig jaar in dit huis.”

Johan: „We kenden elkaar van tentoonstellingen.”

Dorien: „Als we niet met kunst bezig zijn, zijn we, samen met onze hond Pien, vaak buiten. Er is veel te doen in een bostuin.”

Johan: „En jij onderhoudt heel goed onze sociale contacten. En soms gaan we gezellig winkelen. In tegenstelling tot de meeste mannen kan ik dat heel goed. Bovendien vind ik enige trivialiteit en kneuterigheid tegenover kunst en cultuur heel goed en zelfs noodzakelijk.”

Dorien: „We geven niet veel geld uit, hoor. We hebben eigenlijk alles wat we ons wensen kunnen.”

Johan: „Het feit dat we minder kunst verkopen, heeft wel financiële consequenties. We hebben jarenlang zorgeloos geleefd, nu moeten we beter opletten.”

Dorien: „Ik denk dat ons inkomen de laatste jaren met zo’n 25 procent is gedaald.”

Johan: „Maar zoals het nu gaat, redden we ons wel.”

Dorien: „Ja, we hopen zolang mogelijk in dit huis te blijven, mobiel te blijven en te kunnen reizen. We hoeven niet zo nodig te veranderen.”

Johan: „Nee, veranderingen stellen we zolang mogelijk uit.”