Recensie

Nostalgie en ironie in een vechthuwelijk

Joost de Vries Twee broers, nostalgici, denken alles te hebben, en alles te kunnen. Dat is – in de tijd waarin zij leven – tragisch. Toch?

Tekening Paul van der Steen

Edmund van Zeeland – die naam al – loopt door het Rijksmuseum – dat past hem als een jas – en wordt weemoedig van wat hij ziet – uiteraard. En – laat me raden: hij mijmert? – hij mijmert: ‘Deze hele zaal: je kon geen levende Nederlander verzinnen die over vierhonderd jaar zo’n zaal zou verdienen. Het was een grandeur die simpelweg niet meer bestond.’

Het moge duidelijk zijn met wat voor hoofdpersoon we te maken hebben in Oude meesters, de derde roman van Joost de Vries (1983). Edmund, hoofdpersoon samen met zijn broer Sieger, was liever in een andere tijd geboren. Hij is een conservatieve Britse landheer in het diepst van zijn gedachten, maar fysiek een dertiger uit Amsterdam, die dankzij één succesje binnen is en zijn dagen slijt met flaneren. In het eerste hoofdstuk, waar het flaneren aanvangt in de Maltese hoofdstad Valletta, leren we zijn denktrant kennen: bij alles wat hij ziet poppen er feitjes op, leuke feitjes, citaatjes, méér feitjes.

Het ironiealarm begon al te loeien toen er stond: ‘Hij had een oprecht heimwee naar het naïeve oriëntalisme van de negentiende eeuw, hij was vreselijk, hij was een oude draak, Edward Said en Gloria Wekker zouden hem haten.’ We hebben hier dus – dat moet wel – te maken met een tragische nostalgicus die in de huidige tijd van zijn voetstuk valt. Wiens verhaal met enige vileine ironie – kijk maar naar die karikatuur – opgedist zou worden – ‘oprecht heimwee’, haha! Dat zou wel opmerkelijk zijn, want De Groene Amsterdammer-redacteur Joost de Vries manifesteert zich al jaren als doodverklaarder van de ironie, en zijn slimme en goede Gouden Boekenuil-winnende roman De republiek (2013) gíng daarover.

Patriarchaat is gesneden koek

Maar de ironie valt niet te ontkennen als in Oude meesters een vrouw zegt: ‘We zijn de helft van de wereldbevolking. Je kunt ons niet langer negeren’, en Edmund en zij daarom láchen. Dat lachen, ironisch lachen, bevestigt dat ze nostalgie ook geen houdbare positie vinden – hadden ze er serieus bij zitten knikken, dan had het naïef gevoeld, alsof je nu een roman zat te lezen over een sympathieke, leuke en oppermachtige Amerikaanse filmproducent.

Toch moet je uiteindelijk concluderen dat eerder naïeve oprechtheid dan ironie de kern is van Oude meesters, wat weer in lijn is met de romantische nostalgie waarover De Vries eerder boeiende, oprechte essays schreef in Vechtmemoires (2014). Maar nostalgie en ironie zitten hier gevangen in een vechthuwelijk. De Vries laat met zijn personages net datgene na wat hij in De Groene als oplossing voorstelde voor het behouden van de ironische positie: ‘dat je oprecht bent in wat je wilt en hoopt, terwijl je desondanks geen moment vergeet dat je een masker draagt, of een rol speelt’. Edmund en Sieger lijken zich geen moment bewust van hun onhoudbare rol als nostalgici. De lezer des te meer. Dat maakt het verhaal van Oude meesters voorspelbaar.

Sieger is werkzaam als journalist bij een eerbiedwaardige krant die op het punt staat een lifestyle-restyle-dwaling te begaan (eerder satire dan sleutelroman, een tikje karikaturaal), en hij raakt verzeild in een ontmoeting met een gezochte Russische oligarch, op wie dan een bomaanslag wordt gepleegd. Sieger was er zo goed als bij, en voelt zich de oude loopgravenjournalist die hij wilde zijn. De vraag is: wat kán hij ermee?

Oude meesters krijgt daar iets van een (parodie op een) spionage-thriller. Daartegenover staat de soms saaie, maar op andere momenten weer heel verrassende lijn van broer Edmund, die rondhangt met Sarie, de ex van zijn broer. Zij is kostuumontwerper voor een internationale tv-serie en met zijn fortuin werpt Edmund zich op als weldoener-financier en koopt een bijrolletje. Gehuld in harnas speelt hij een conquistador die gewelddadig bij een indianenstam binnenvalt. Nudge nudge, say no more.

De tragiek van Edmund en Sieger – die meer op elkaar lijken dan je als lezer zou wensen – is dat ze denken alles te hebben (inclusief gelijk) en alles te kunnen. Het probleem is niet de stijl, die wel highbrow-geestig-bijdetijds is, idiosyncratisch De Vriesiaans. Het probleem is het verhaal: De Vries trekt veel uit de kast en lijkt zo op iets briljants, iets verrassends af te stevenen, maar dat briljante blijft uit.

De tragiek van Oude meesters is ook de tragiek van de broers: dat je ze al de hele tijd doorhebt.