Recensie

In de Palestijnse slangenkuil

Palestijnse twisten Een jaar lang dompelde historica en journaliste Els van Diggele zich in de Palestijnse samenleving onder. Haar schokkende conclusie luidt dat de gewone Palestijnen al bijna een eeuw zuchten onder de repressie van hun eigen leiders.

Foto NRC

Onwillekeurig vraag je je af of de Palestijnen, die in Kairo net een vredesakkoord met elkaar hebben getekend, misschien het pas verschenen boek van Els van Diggele hebben gelezen. Dat zal wel niet, maar ze zouden er beslist hun voordeel mee kunnen doen. Zelden heeft een buitenstaander zo onbarmhartig de diepe onderlinge verdeeldheid van de Palestijnen en de schadelijke gevolgen ervan blootgelegd als Van Diggele dat doet in haar boek met de veelzeggende titel We haten elkaar meer dan de Joden.

Het is bijna een automatisme geworden om de schuld van alle problemen van de Palestijnen – en dat zijn er vele – op het conto van Israël en in mindere mate het Westen te schrijven. Niet alleen bij de Palestijnen zelf, maar ook bij velen in datzelfde Westen. En natuurlijk staat vast dat Israël zich uitstekend leent als zondebok. Het heeft door de jaren heen weinig nagelaten om de Palestijnen het leven nog moeilijker te maken dan het al was.

Het is de grote verdienste van historica en journaliste Els van Diggele (1967) dat zij nu ook eens diep in de onderlinge Palestijnse verhoudingen is gedoken, vooral in de diepe tegenstelling tussen Fatah, dat op de Westelijke Jordaanoever de dienst uitmaakt, en Hamas, dat sinds 2007 de Gazastrook in handen heeft.

Een jaar lang bracht Van Diggele in de Palestijnse gebieden door. Ze sprak er met tientallen ‘dissidenten’, veelal intellectuelen – politicologen, artsen, journalisten, wiskundigen – die bereid waren hun eigen samenleving kritisch tegen het licht te houden. Dit laatste vereist moed. Openlijke kritiek op de lokale machthebbers kan je zowel op de Westelijke Jordaanoever als in de Gazastrook makkelijk in de gevangenis doen belanden. Martelingen zijn daar heel gebruikelijk. En op een liquidatie meer of minder wordt evenmin gekeken.

Die getuigenissen, de basis van het boek , zitten vol prikkelende waarnemingen. Het citaat over de grotere haat voor elkaar dan voor de Joden, dat ook als titel van het boek dient, is bij voorbeeld afkomstig van Iyad el-Sarraj, begin jaren zeventig de enige psychiater die de Gazastrook telde. Van Diggele interviewde hem in zijn tuin in Gaza-Stad, kort voor zijn dood.

Sarraj memoreert een Arabisch spreekwoord: ‘Mijn broer en ik tegen mijn neef, mijn neef en ik tegen een vreemde.’ Altijd weer bevochten de Palestijnen elkaar, zelfs op cruciale momenten in hun geschiedenis. Daarbij speelde volgens hem de cultuur van de wraak een hoofdrol. ‘Sla jij mij, dan sla ik jou; probeer jij mij te doden, dan probeer ik jou te doden. Als dat niet lukt wacht ik tot je kinderen zo oud zijn dat ik hen kan doden’, aldus Sarraj, die dit kenmerkend acht voor de Arabische stammencultuur.

Al in de jaren twintig en dertig, toen het Palestijnse nationalisme ontkiemde en het verzet tegen de Britse koloniale heerser én de gestadig toenemende Joodse immigratie aanzwol, lagen de machtige clans van de Husseini’s en de Nashashibi’s voortdurend met elkaar overhoop. De Husseini’s schrokken niet terug voor geweld of zelfs moorden, als het zo uitkwam. De Nashashibi’s waren meer geneigd tot onderhandelen.

Ook in het voor hen cruciale jaar 1948, toen Israël zijn onafhankelijkheid uitriep, waren de Palestijnen en hun Arabische bondgenoten hopeloos verdeeld. Van Diggele beschrijft hoe drie verschillende Arabische legers (Husseini’s Palestijnse troepen, het leger van de Jordaanse koning Abdallah en dat van de Arabische Liga) meer elkaar bestreden dan Israël. Zo bleef de jonge Joodse staat relatief makkelijk overeind. Honderdduizenden Palestijnen werden het land uitgedreven en eindigden in vluchtelingenkampen.

Yasser Arafat

In de jaren zestig nam het Palestijnse nationalisme een andere gedaante aan. Toen kwam de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) op, met Fatah als belangrijkste factie in een slangenkuil van wel zeventig groepen en groepjes. Al spoedig werden beide organisaties gedomineerd door Yasser Arafat, een nog altijd geliefde figuur bij veel Palestijnen, maar tegelijkertijd een hoogst omstreden leider.

Hoewel Arafat erin slaagde de buitenwereld bewust te maken van de aspiraties van het Palestijnse volk, gaf hij steevast voorrang aan zijn persoonlijke belangen. Mensen die kritiek op hem hadden of tegenstand boden, werden genadeloos geliquideerd. Doordat Arafat en zijn getrouwen na de oorlog van 1967 door de Israëlische bezetting naar het buitenland moesten uitwijken, vervreemdden ze bovendien van hun achterban. Steeds meer ontaardden ze in een corrupte kliek van mensen, die – met hulpgeld uit de Arabische wereld en elders – in weelde baadden en hun kinderen naar dure Britse scholen stuurden.

Even leek de PLO op een zijspoor te belanden, toen in 1987 de Eerste Intifada begon. Hierbij ging het om een spontane volksopstand in de door Israël bezette gebieden, die al snel eigen, nieuwe leiders voortbracht, onder wie Hanan Ashrawi en Faisal Husseini. Ditmaal toonden de Palestijnen een verrassende solidariteit. ‘Het was de beste tijd uit onze geschiedenis’, zegt Jamal Zarkut, destijds stenengooier en later een hoge Palestijnse functionaris.

Desondanks wist Arafat begin jaren negentig weer een hoofdrol aan de onderhandelingstafel met Israël te bedingen. Maar mogelijk omdat hij verzwakt was, ging hij akkoord met de zogeheten Oslo-akkoorden van 1993, die de Palestijnen slechts soevereiniteit over een bedroevend klein lapje grond opleverden. Israël hield enorme invloed in de bezette gebieden. Wel mocht Arafat zich president gaan noemen en zou hij kunnen rekenen op aanzienlijke hulpfondsen. Veel Palestijnen namen hem deze deal, die hij vrijwel zonder ruggespraak met andere Palestijnen had gesloten, zeer kwalijk.

Volgens Van Diggele zette daarna het verval van Fatah, dat de nieuw gecreëerde Palestijnse Autoriteit beheerste, pas goed in. Er ontstond een semistaatje met ‘kosmopolitische zeepbel’ Ramallah als hoofdstad. Arafats veiligheidsdiensten gingen ongestoord hun gang en banen vielen bijna uitsluitend aan vriendjes van Fatah toe. De corruptie tierde welig en hing als een zware deken over de Westelijke Jordaanoever. Na Arafats dood, toen Mahmoud Abbas hem opvolgde, verergerde dit nog. De gewone Palestijnse burger had niets meer in te brengen.

Alleen een intermezzo onder de partijloze premier Salam Fayyad (2007-2013) bood hoop. Deze nogal technocratische econoom zag kans om op de Westelijke Jordaanoever betere wegen, ziekenhuizen en scholen aan te leggen, de veiligheidsdiensten in te tomen zodat het veiliger op straat werd, en een begin te maken met corruptiebestrijding. Maar Abbas en anderen vonden hem te lastig en schoven hem ten slotte terzijde. Hij was niet het type leider dat veel Palestijnen aansprak. Zoals een mensenrechtenactivist grapt: ‘Wij willen een sterke leider om ons eraan te herinneren dat we niet vrij zijn.’

Intussen won de fundamentalistische beweging Hamas snel terrein. Die werd gezien als eerlijker en veel Palestijnen waren onder de indruk van de talrijke aanslagen op Israëlische doelen. Het bestuur van Abbas, die na een verkiezingsnederlaag van Fatah in 2006 tegen Hamas geen nieuwe verkiezingen durfde te houden, werd door steeds meer Palestijnen geminacht en zelfs gehaat. Bovendien werd hij als een marionet van Israël beschouwd.

Martelingen

Hamas maakte zich in 2007 met geweld meester van de Gazastrook en leeft sindsdien, ondanks enkele pogingen tot verzoening, op voet van oorlog met Fatah. Het Hamasregime is misschien iets minder corrupt dan dat van Fatah en heeft minder geld. Maar ook daar heerst geen democratie. ‘De islamistische regering van Hamas is een dictatuur, punt uit’, zegt activiste en journaliste Asma el-Ghoul, die tijdens de zogenoemde Arabische Lente van 2011 vergeefs actie voerde voor een liberaler bewind. Haar vrijmoedigheid is haar al een paar keer op arrestaties en martelingen komen te staan.

Aan het eind van haar onthutsende boek trekt Van Diggele de harde conclusie dat de verdeeldheid onder de Palestijnen er de oorzaak van is dat de vestiging van een onafhankelijke Palestijnse staat niet meer tot de mogelijkheden behoort. Met andere woorden: eigen schuld, dikke bult.

Toch wringt die snoeiharde conclusie en daarmee kom ik bij mijn voornaamste kritiekpunt op dit boek. Hoe overtuigend Van Diggele ook is over de kwalijke gevolgen van de onderlinge Palestijnse verdeeldheid, ze had mijns inziens minimaal een hoofdstuk extra moeten wijden aan de vraag: in hoeverre is die verdeeldheid te wijten aan Israël en de bijna onmogelijke uitgangspositie waarin de Palestijnen deels buiten hun schuld zijn beland?

Hoe is er bijvoorbeeld een levensvatbaar bestuur in de Gazastrook mogelijk zolang het hermetisch is afgesloten door Israël (en aan de andere kant door Egypte)? Hoe kunnen Palestijnen ooit blijven geloven in een eigen staat als er steeds maar weer stukken van hun land worden afgepakt door Israëlische kolonisten? En wat doet vijftig jaar bezetting en repressie met een volk in psychologisch opzicht? Over zulke fundamentele vragen lezen we helaas niets in dit verder zo sterke boek.