‘Ik beschouw Trump deels als mijn erfgenaam’

Pat Buchanan Oud-presidentskandidaat Pat Buchanan is een rechts-populist avant la lettre. De auteur van het recente Nixon’s White House Wars geldt als wegbereider voor president Trump.

Foto Jake Chessum/Trunk Archive

Pat Buchanan woont in een fraai herenhuis in McLean, Virginia, tegenover de CIA. „Je kunt het niet missen”, zegt hij door de telefoon, met zijn karakteristieke krachtige stem. „Tegenover mijn huis zie je door de bomen het gebouw van de inlichtingendienst liggen.”

Buiten asfalteren straatwerkers de oprijlaan. Binnen heerst een serene stilte. Buchanan (78) – ruitjeshemd, gymschoenen – geeft een rondleiding. Uitpuilende boekenkasten in de woonkamer en de kelder. Foto’s op posterformaat aan de muur, van Buchanan met Richard Nixon in China en met Ronald Reagan in Reykjavik. Beeldjes van Churchill, Lenin, Stalin en generaal Douglas MacArthur. En een buste van Robert E. Lee, de controversiële generaal uit de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) wiens beeld deze zomer in diverse Amerikaanse steden van zijn sokkel is verwijderd.

Zo niet in huize Buchanan. Een van zijn voorvaderen vocht aan diens zijde: vóór afscheiding van het Zuiden en vóór het behoud van slavernij. De gedachtenis aan Robert E. Lee wordt op diverse plekken in de woonkamer levend gehouden. Naast de buste is er een geschilderd portret en de replica van zijn pistool, een van de twintig historische wapens die Buchanan heeft verzameld.

Gevraagd of Lee ook hier zijn langste tijd heeft gehad, kijkt hij mij onthutst aan. „Als ze willen dat ik afscheid van hem neem, moeten ze zijn beeltenis en pistool maar komen halen.” Later komt hij erop terug. „Die beelden zijn in steden als Richmond (Virginia) officieel tot historisch erfgoed benoemd. Moet de geschiedenis worden weggepoetst? Ik vind het walgelijk.” Hij kijkt zijn bezoek furieus aan. „Ik begrijp de motieven voor de beeldenstorm wel. Conservatief Amerika heeft lang gedacht dat dit een superieure samenleving was, een uitverkoren natie met een eigen identiteit. Dit is de wraak van links. Alle sporen van die samenleving moeten met wortel en tak worden uitgeroeid.”

We gaan zitten. Echtgenote Shelley zet een flesje ijskoud water voor ons neer. Nixon bracht ze samen, tijdens de campagne van 1968. De oud-president was prominent aanwezig op hun huwelijk, in mei 1971. Een maand later verzocht Nixon Buchanan de leiding op zich te nemen van de zogenoemde Loodgieters. Deze sinistere medewerkers klaarden vanuit het Witte Huis duistere klussen als inbreken bij politieke tegenstanders en vermeende staatsvijanden.

Buchanan sloeg het aanbod af. Niet uit principe, zoals hij in het onlangs verschenen tweede deel van zijn herinneringen aan die periode schrijft (Nixon’s White House Wars), maar omdat hij weigerde karaktermoord te plegen op Daniel Ellsberg. Ellsberg was het lek van de Pentagon Papers aan de pers – de studie naar de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam. Nixon was door Ellsberg geobsedeerd nadat veiligheidsadviseur Henry Kissinger hem ‘de gevaarlijkste man van Amerika’ had genoemd.

Buchanan vond Ellsberg niet de moeite van zijn aandacht waard. Dirty tricks waren sowieso niet zijn stijl. In plaats daarvan verkoos hij ‘de politiek van de confrontatie’, zoals hij in zijn boek schrijft. En zo ontliep Buchanan het bloedbad van Watergate. Andere medewerkers werden ontslagen en belandden in de gevangenis; Buchanan ontsprong de dans doordat hij zich de luxe van een eigen oordeel permitteerde. Wel bleef hij tot het bittere einde loyaal aan de president. Zijn gespierde verdediging van Nixon voor de Senaatscommissie die het schandaal onderzocht, maakte van hem een bekende Amerikaan.

Die roem maakte hij begin jaren tachtig te gelde als conservatieve duo-presentator van het populaire praatprogramma Crossfire op CNN. Later was hij hoofd communicatie onder Ronald Reagan. In de jaren negentig was hij drie keer presidentskandidaat: in 1992 en 1996 voor de Republikeinen, in 2000 voor de Reform Party.

Als rechts-populist voordat die term in zwang raakte, was zijn invloed groot. Tijdens de campagne van 1968 muntte hij de term ‘zwijgende meerderheid’, die door Nixon gretig werd overgenomen. In 1969 was hij de architect achter een frontale aanval op de ‘elitaire en vooringenomen’ pers. Op de conventie van 1992 lanceerde hij ‘een cultuuroorlog’ om ‘de ziel’ van Amerika. Zijn agenda van economisch nationalisme, beperking van immigratie en afkeer van militaire interventies is grotendeels overgenomen door Donald Trump. „Zijn thema’s waren mijn thema’s”, zegt hij nu. „Ik beschouw hem deels als mijn erfgenaam.”

Heeft u contact met hem?

„Hij belde mij vorige jaar vlak voor de Republikeinse conventie, hij vroeg of ik wilde speechen. Ik weigerde, had geen zin om de veiligheidsprocedures te doorlopen. Conventies zijn bovendien leuker op tv dan in het echt.” Hij lacht. „Daar komt bij dat ik geen goede herinneringen heb aan de campagne van 2000, toen wij beiden kandidaat waren voor de Reform Party. Donald beschuldigde mij destijds van racisme. Hij noemde mij een nazi lover.”

Hoe reageerde u daarop?

„Ik zei: ‘Uit zijn mond beschouw ik dat als een compliment.’”

Dat was alles?

Buchanan kijkt mij afgemeten aan. „Als conservatieve politicus word je in dit land vroeg of laat beschuldigd van racisme. Barry Goldwater moest zich er tijdens de campagne van 1964 tegen verweren, een door en door fatsoenlijke en integere man. Ronald Reagan heette ook een racist te zijn. En nu is Donald zelf aan de beurt. Ik heb een persoonlijke belediging van dien aard altijd beschouwd als de laatste toevlucht van een uitgeputte geest.”

Hij zegt dat hij sinds de verkiezing van Trump van slag is, net als een groot deel van Amerika. Met dien verstande dat zijn opwinding een positief karakter heeft. De gespannen relatie van Trump met de pers doet hem denken aan Watergate. „Toen sprong ik dagelijks uit bed met de gedachte: ‘Waar opent The Washington Post nu weer mee?’ Nu kijk ik voortdurend tv. Tussendoor lees ik vijf kranten. Als ik midden in de nacht wakker word, check ik snel online of er nieuws is. Het is opwindend.”

In 1969 stond u aan de basis van een aantal speeches waarin vice-president Spiro Agnew, met medeweten van Nixon, de pers in de beklaagdenbank zette. Is er een verband met de aanvallen op journalisten door Trump?

„Wat wij deden, was nieuw. Conservatieven als ik walgden van de manier waarop Goldwater was aangepakt. Dat liet een bittere smaak na. Vergeet niet dat Nixon al doelwit van journalisten was sinds zijn eerste campagne, in 1946. We hadden een rekening te vereffenen. Het effect van de speeches was groot. Alle zenders deden er live verslag van. We kregen veel bijval van de kijkers.

„Trump heeft dezelfde instincten, maar er zit geen structuur in zijn aanvallen. Wij wisten wat we deden. Bij Trump zijn het schimpscheuten, oprispingen. Maar het effect is hetzelfde. Zijn achterban vindt het geweldig en journalisten worden in de verdediging gedrongen. De verhoudingen staan op scherp, net als tijdens Nixon. De pers wacht opnieuw op de val van een president.

„Eén ding is zeker: het onderzoek van speciaal aanklager Mueller naar de betrokkenheid van Rusland bij de verkiezingen van vorig jaar is een tijdbom voor Trump. De media kunnen hem niet de das om doen, Mueller wel. Los daarvan betwijfel ik of dit koortsachtige antagonisme tussen president en journalistiek nog drie jaar kan voortduren.”

Het oeuvre van de schrijver Buchanan valt in twee categorieën uiteen. Zijn egodocumenten zijn goed ontvangen. Het overige werk, met titels als The Great Betrayal (1998) en Suicide of a Superpower (2011) is vooral voer voor ondergangsdenkers. Buchanan laat zijn gitzwarte wereldbeeld de vrije loop.

Het grote thema van nu, zegt hij, is de dreigende ondergang van de Westerse beschaving. „De identiteit van Europa en Amerika staat op het spel. Beide werelddelen worden overspoeld met de massale immigratie uit Afrika, het Midden-Oosten en Midden-Amerika. In de Verenigde Staten komt daar nog een factor bij: de ontbinding van binnenuit.”

Waar ligt de bron van die ontbinding?

„Lees mijn boek over Nixon! Wij hebben ons nooit hersteld van twee ontwikkelingen in de tweede helft van de jaren zestig: gedwongen integratie van openbare scholen op last van het Hooggerechtshof en de radicalisering van de burgerrechtenbeweging. De beslissingen van negen niet gekozen rechters in de jaren vijftig en zestig op het gebied van onderwijs hebben rampzalig uitgepakt. Het gevolg: blanken vluchtten massaal naar buitenwijken om hun kinderen daar goed en betaalbaar onderwijs te geven. De radicalisering van de burgerbeweging deed de rest: oproep tot gewelddadig verzet, brandende binnensteden. Een halve eeuw later zien we de gevolgen: geldverslindende bureaucratieën in het onderwijs en ter bestrijding van discriminatie, zonder dat beide problemen ook maar een spat dichter bij een oplossing zijn gekomen. Het ressentiment daartegen heeft lang gesmeuld, maar is met de opkomst van Trump aan de oppervlakte gekomen. De woede van een bepaald segment van de blanke bevolking is nu ineens ontdekt door journalisten, maar geloof me: die speelt al een halve eeuw.”