Recensie

Het leven houdt op na het zwemmen

Roelof ten Napel

De tweede roman van deze jonge schrijver is een geslaagde poging om al schrijvend in de buurt te komen van beladen thema’s als rouw en spijt.

Dat literatuur je op de vreemdste manieren kan bespelen, ondervond ik toen ik ergens tijdens het lezen van Het leven zelf opeens grondig over Lin uit Oek de Jongs roman Hokwerda’s kind en voormalig topturnster Verona van de Leur begon na te denken. Wat Lin en Verona met elkaar gemeen hebben, is dat ze eerst jarenlang fanatiek sportten en dat ze daarna nogal roekeloos het roer omgooiden. De romanfiguur Lin was een groot tafeltennistalent dat in allerlei affaires met mannen verzeild raakte; Van de Leur stopte op het hoogtepunt van haar turnloopbaan en ging in de porno-industrie werken. In beide gevallen dacht je op of een of andere manier: dat krijg je ervan als ze je in je puberteit in een kooi opsluiten.

Het was Amos uit Het leven zelf die me bij Lin en Verona bracht. Amos, die door zijn vader op zeker moment nogal ontroerend ‘meer vis dan jongen’ genoemd wordt, is een jongen met een groot zwemtalent. Hij is aangesloten bij een zwemvereniging en hij heeft zelfs een heuse trainer, maar Roelof ten Napel maakt al vroeg een einde aan al die toewijding door Amos met zijn sport te laten stoppen.

Dat besluit lijkt te worden ingegeven door de blik op een tijdenbord, al in de eerste zin van de roman, en hij zich realiseert ‘dat hij nooit veel sneller zou zijn dan dit’. Het leven zelf valt te typeren als een onderzoek naar routine: doet Amos er nu goed aan om het bijltje erbij neer te gooien omdat hij beseft dat hij zijn prestatiegrens bereikt heeft, of zou hij door moeten gaan en heeft hij helemaal niet in de gaten wat wat dat zwemmen allemaal voor hem betekent? Het klinkt misschien wat nikserig, dat wel of niet stoppen met een uit de hand gelopen hobby, maar Ten Napels onderzoek is een behoorlijk ernstige en filosofisch getoonzette aangelegenheid. Hij laat vrienden en familieleden aan het woord die delen van Amos’ leven reconstrueren – wat een steeds emotionelere toon krijgt omdat de jongen zichzelf later van het leven heeft beroofd. Emotioneel, maar altijd helder en analytisch: waar veel andere schrijvers er allang voor hadden gekozen om terug te vallen op tranen & tissues, daar blijft Ten Napel via zijn personages dóórdenken over de gebeurtenissen. Zo vraagt iemand zich af – misschien met Bas Jan Ader in het achterhoofd – of je het woord ‘vallen’ wel kunt gebruiken als iemand moedwillig van een hoog gebouw stapt.

Maar vergis je niet, de piepjonge Ten Napel (1993) mag dan in zijn uitwerking bovenmatig cerebraal zijn, onder zijn tekst tikt een hart. Zijn debuut Constellaties (2014) ontbeerde dat nog een beetje, maar hier is een geslaagde poging gedaan om al schrijvend in de buurt te komen van thema’s als rouw, routine en spijt. Die drie woorden zijn bij hem overigens met elkaar verknoopt, want meer dan eens stelt iemand zich na Amos’ dood de vraag of hij hem bijvoorbeeld wel eens omarmd heeft. Waarschijnlijk niet aan toegekomen. Druk met iets anders.

Naar de beweegreden van Amos’ suïcide blijft het overigens gissen. Maar er zijn suggesties zat te vinden. Is het de ‘Oostbloktriestheid’ van zijn woonomgeving? Is het de beïnvloeding van al die boeken die hij las? Of is het toch dat stoppen met zwemmen, waardoor plots het leven zelf zich in alle heftigheid aan hem openbaarde?