Recensie

Bob Marley, held van de zwarte bevrijding, had in het Westen een wit publiek

Popboek

Een oral history van reggaekenner Roger Steffens laat zien hoe huidskleur de carrière van de zanger uit Jamaica richting gaf.

Bob Marley in het Rainbow Theatre, Londen op 1 juni 1977. Tot zijn verdriet was zijn publiek overwegend wit Foto Vincent McEvoy/ Redferns

Popsterren die vertellen over de armoede waarin ze opgroeiden, zouden eens dit boek over Bob Marley moeten lezen. Want de Jamaicaanse zanger kende échte armoede. Als verwaarloosd kind leefde hij een tijdje op straat en sliep hij later onder het huis omdat zijn moeder een nieuwe man en een kind had, die ze belangrijker vond. Zijn stiefbroer Bunny mocht naar school, Bobje niet.

Als een van de weinige supersterren uit de Derde Wereld neemt Nesta Robert Marley (1945-1981) een speciale plaats in binnen de door Amerikanen en Britten gedomineerde popmuziek. Hij maakte de niet-westerse reggae populair in het Westen – op zichzelf al een prestatie. Wat daarbij hielp was dat die stijl een variant was op de Amerikaanse rhythm & blues, met het hobbelende riddim van de aan calypso verwante Jamaicaanse mento.

Vooral voor Afrikanen is Marley echter behalve musicus ook een revolutionaire leidsman, die zich in strijdliederen als Get Up, Stand Up, Revolution en War verzet tegen achterstelling van zwarten, tegen de witte, neokoloniale oppermacht. Hij had de kwaliteiten van een profeet, bewoog zich koninklijk en had veel charisma, zeggen zij die hem kenden.

Oral history

Marleys korte leven is vastgelegd in So Much Things to Say: The Oral History of Bob Marley van Roger Steffens, dat ook in vertaling is verschenen. Steffens is een autoriteit op reggaegebied, schreef al drie boeken over Marley en bezorgde diens verzameld werk. Zijn nieuwe boek is oral history, een mooi maar lui genre, waarin de schrijver de citaten van de geïnterviewden achter elkaar plakt, zonder duiding. Het voordeel is dat je het gevoel krijgt Marley dicht te naderen. Het nadeel is dat Steffens tegenstrijdige verhalen en beschuldigingen zonder commentaar laat passeren. Het motto van het boek is dan ook: ‘Er zijn geen feiten in Jamaica, alleen versies.’

Steffens heeft 74 mensen gesproken, maar Bob Marley komt zelf maar één keer aan het woord. Marley vertelt iets over het One Love Peace Concert in 1978, toen hij de twee politieke rivalen die Jamaica in staat van bijna burgeroorlog hielden, de hand liet schudden. En hij vertelt iets over de gespannen verhouding tussen vrede en gerechtigheid. Marley komt niet erg helder over – wellicht de reden waarom hij zoveel zwijgt in dit boek. Zijn witte pr-man Charlie Comer zegt dat journalisten Marley vaak slecht verstonden en begrepen. Daarom zei hij altijd tegen ze: ‘Vraag het maar gewoon aan mij als je hem niet begrijpt. Ik vertel je na afloop wel wat hij heeft gezegd.’

The Wailers speelden op 1 mei 1973 in het Britse popprogramma The Old Grey Whistle Test. Bob Marley wordt geflankeerd door Peter Tosh (links, zonnebril) en Bunny Wailer (rechts, fez):

Misdaad en politiek geweld

Marleys leven draaide al vroeg om voetballen en om zingen. Samen met zijn stiefbroer Bunny Wailer en met Peter Tosh vormde hij begin jaren zestig het zangtrio The Wailers. Het succes kwam heel langzaam, en na lang zoeken naar een eigen stijl. Hun eerste nationale hits kwamen toen ze bij platenlabel Studio One opnames maakten met skaband The Skatalites, die het genre zo ongeveer heeft uitgevonden. Dankzij Chris Blackwell van het Britse platenlabel Island Records kon hij vanaf 1972 ook internationaal gaan opereren. Dat koste hem wel zijn band – Bunny Wailer en Peter Tosh verlieten The Wailers – maar toen kwam in 1976 eindelijk het grote succes, met de liveversie van No Woman No Cry.

Marleys zonnig klinkende liedjes hebben vaak grimmige teksten. Veel vlammende protestliederen en schetsen van het leven in Trench Town, de achterbuurt waar hij opgroeide. Het postkoloniale Jamaica, onafhankelijk geworden in 1962, werd verscheurd door criminaliteit en politiek geweld. Politici huurde criminele bendes in om tegenstanders te intimideren en molesteren. De economische groei was indrukwekkend, maar leidde onder de arme Afro-Jamaicanen tot meer onvrede, omdat ze niet genoeg meedeelden in de nieuwe welvaart.

Geweld was ook onderdeel van de levens van de Wailers. Bunny Wailer was zelf nogal gewelddadig – in het boek vertelt hij hoe hij producer Lee ‘Scratch’ Perry in elkaar sloeg uit woede over achtergehouden geld. Bij rellen was Peter Tosh niet te beroerd om mee te doen aan het plunderen, zoals bezongen in Burnin’ and Lootin’. En de band zette criminelen in om middels intimidatie vaker op de radio gedraaid te worden. Op Bob Marley werd in 1976 een moordaanslag gepleegd. Tosh werd in 1987 bij een roofoverval vermoord.

Lichte huid

Het motto ‘geen feiten, alleen versies’ wreekt zich vooral in de interviews met Peter Tosh en Bunny Wailer. Ze zijn sterke vertellers, maar uiten nogal wilde beschuldigingen jegens producers en platenbazen, die hen zouden hebben opgelicht. Beiden verlieten The Wailers vlak voor het grote succes omdat ze een solocarrière nastreefden. Maar ze vertellen graag dat ze weggingen omdat ze het oneens waren met de koers van Marley. Volgens hen verkocht hij zichzelf aan witte onderdrukkers en verwaterde hij zijn teksten en muziek om ze makkelijker in witte oren te laten glijden.

Dat van dat witwassen is een beetje waar. De opnames uit de jaren zestig hebben een rauwe, opzwepende kwaliteit die in de jaren zeventig verloren is gegaan. Nauwelijks een artistieke keuze trouwens: de opnamestudio’s in Kingston in de jaren zestig waren gewoon slechter. Je hoort het bijvoorbeeld als je Catch a Fire opzet, de eerste elpee voor Island Records, en die vergelijkt met de oorspronkelijke, Jamaicaanse mix van het album: elektrische gitaren en andere overbodige franje zijn toegevoegd om de vreemde muzieksoort makkelijker in het westers gehoor te laten liggen. Daar staat tegenover dat Marleys eerste drie elpees bij Island zijn beste werken zijn, mede dankzij het rijke geluid.

De weerzin tegen witten en het Westen kwam voort uit het Afro-Jamaicaanse rastafari-geloof van de Wailers; een aan het jodendom en christendom verwante religie met als opmerkelijke kenmerken het roken van marihuana, het dragen van dreadlocks (ongekamde haarvlechten), en het aanbidden van Haile Selassie, de toenmalige keizer van Ethiopië. Bij het geloof hoort een zwarte bevrijdingstheologie: verzet tegen het decadente, onvruchtbare ‘Babylon’; het witte Westen waar Afrikanen in ballingschap leven. De openingszin van protestsong War is een citaat uit Haile Selassies toespraak voor de Verenigde Naties in 1963: ‘Totdat de leer, die het ene ras superieur acht, en het andere minderwaardig, eindelijk en voorgoed als schandelijk wordt verworpen, zal het overal oorlog zijn.’

Luister hier naar een chronologisch overzicht van Marleys beste werken, van de snelle, feestelijke ska uit 1963 tot zijn bespiegelende zwanenzang ‘Redemption Song’ uit 1980:

Kleur was van jongs af aan belangrijk voor Marley, omdat hij zelf een lichte huid had – zijn vader was een half-Britse landopzichter, die vrouw en zoon al vroeg verliet. De blanke en lichtgetinte elite keek op hem neer als een arme zwarte, terwijl zijn eigen zwarte omgeving hem niet accepteerde wegens zijn lichte huid. Hij werd vaak in elkaar geslagen.

Kleur bleef ook later een rol spelen. Doordat Marley na een mislukte moordaanslag naar Londen verhuisde, daar werd aangehaald door witte popsterren, en een witte vriendin kreeg, Cindy Breakspeare (Miss Jamaica 1976), verkeerde hij steeds vaker in witte kringen. Zijn manager Don Taylor zegt in het boek: ‘Bob was de excuusneger van de jetset.’

Wit publiek

Volgens Wailer en Tosh had witte platenbaas Chris Blackwell – die Marley internationaal liet doorbreken – de Wailers uit elkaar gedreven omdat hij liever met Marley alleen werkte, want die zou meegaander, minder militant en minder zwart zijn. Waarschijnlijker is dat Marley het grootste talent was van de drie.

Bunny Wailer hekelt Blackwells strategie om The Wailers op hun eerste Amerikaanse tournee voor homo’s in ‘freak clubs’ te laten spelen. Een vreemde, homofobe beschuldiging. Waarschijnlijk bedoelt hij dat Blackwell de groep eerst probeerde te promoten bij de avant-garde: vooruitstrevende studenten en creatieve types, die open stonden voor een exotische act.

Die strategie werkte goed, maar had een vreemde bijwerking: Marleys publiek in de VS en Europa bleef overwegend wit. Tot zijn verdriet. Want voor hen was zijn boodschap van zwarte bevrijding niet direct bedoeld. Afro-Amerikanen waren in die jaren bezig met disco – grootsteeds, glad en electronisch. Misschien stak Marleys langzame, bluesy muziek daar wat ouderwets plattelands bij af. Om de Afro-Amerikanen toch te bereiken, nam hij in de VS als voorprogramma soulzangers mee.

Marley stierf op 36-jarige leeftijd, door een melanoom op zijn grote teen. Hij wilde die teen niet laten amputeren, waardoor de kanker zich kon verspreiden. Hij liet elf kinderen van zeven vrouwen achter. Bij zijn begrafenis stonden er één miljoen mensen langs de weg – de helft van de bevolking van Jamaica.