Genocide op de rationele indianen

Kolonisatie

Militair historicus Peter Cozzens wil de rol van het Amerikaanse leger in de ‘indiaanse oorlogen’ nuanceren. Dat lukt maar ten dele. Want ook al was het uitroeien van indianen geen officieel beleidsdoel, het gebeurde wel – zozeer dat je van een koloniale catastrofe kunt spreken.

Een handgekleurd portret van Oglala Sioux Shout At uit 1899, in Omaha. Foto GraphicaArtis/Getty Images

Het populair-historische beeld van de Amerikaanse ‘indianen’ is lang bepaald door de bestseller Bury My Heart at Wounded Knee (1970) van Dee Brown, een geëngageerd boek dat talloze lezers tot tranen of woede bracht. Brown schetste de kolonisatie van Amerika als de gewelddadige verplettering van inheemse culturen die zelf een toonbeeld waren van harmonie en vrede.

Militair historicus Peter Cozzens (1957), redacteur van een reeks bronnenstudies over de ‘indiaanse oorlogen’ in het Westen, heeft zich met zijn – recent vertaalde – boek De aarde huilt ten doel gesteld die ‘eenzijdige benadering’ van Brown bijna vijftig jaar later te corrigeren. In de proloog van het boek zet hij zich af tegen Browns simplistische tweedeling van slachtoffers en daders en tegen de overtuiging dat de Amerikaanse overheid genocide pleegde of sanctioneerde.

Ten dele heeft hij gelijk, al is hij bij lange na niet de eerste die dit beweert. Native Americans waren geen nobele dan wel brute wilden of ‘natuurmensen’, zoals het koloniale cliché wil, maar rationele actoren, die een sturende rol speelden in de geschiedenis van het Westen. Inheems Amerika was ook geen vormeloze eenheid van ‘indianen’, maar een lappendeken van sterk verschillende volken en naties, die ook zonder blanke bemoeienis verwikkeld waren in migratie en competitie om leef- en jachtgebieden.

Genocide was niet het expliciete doel van de federale overheid; Washington erkende inheemse naties als verdragspartners en wilde hen uiteindelijk voor uitroeiing behoeden. Maar het resultaat was wel degelijk een demografische en culturele catastrofe. Het idee van een ‘verdwijnend ras’ was wijdverbreid, ook in kringen die indiaanse culturen wilden conserveren als exotica.

Als militair deskundige wil Cozzens met name de rol van het leger nuanceren, dat niet alleen oorlog voerde tegen inheemse naties, maar hen ook geregeld beschermde tegen het geweld van kolonisten. Dat klopt, maar die ingrepen waren doorgaans halfslachtig, de taak van het leger was en bleef repressie.

Woest Paard

Voor zover Cozzens polemisch of analytisch is, blijft dat echter beperkt tot zijn korte proloog. De zeshonderd pagina’s die dan nog volgen, zijn een gedetailleerde, betrouwbare, maar ook tamelijk conventionele militaire geschiedenis.

Ze komen allemaal langs, in chronologische volgorde: de oorlogen met de Sioux, de Modocs, de Apaches, de Nez Percé, compleet met een lange reeks gevechten, namen van generaals, legeronderdelen en inheemse leiders, niet met hun inheemse maar Europese namen, van Red Cloud (‘Rode Wolk’) en Crazy Horse (‘Woest Paard’) tot Geronimo.

Cozzens beschrijft het allemaal in een toegankelijke stijl. Zijn boek geeft inderdaad een genuanceerder en evenwichtiger beeld van de gewapende conflicten dan de aanklacht van Brown. Maar inhoudelijk voegt het niets toe aan de talloze deelstudies die er eerder zijn verschenen.

Nieuwe historici van het Amerikaanse Westen, zoals Richard White en Patricia Limerick, hebben de populaire clichés over de geschiedenis van het gebied al vanaf de jaren negentig genuanceerd en aandacht gevraagd voor de actieve rol van de inheemse Amerikanen zelf, maar ook van vrouwen, zwarten en andere minderheden. Zij het zonder de relativering of zelfs vergoelijking van de kolonisatie (‘indianen deden het óók’) waar Cozzens in zijn proloog toe neigt.

Bloeddorstige wilden

Die vergoelijking past in een trend. In Amerika verschijnen al langer ‘revisionistische’ boeken die willen afrekenen met het ‘politiek correcte’ beeld van de geschiedenis. Het geweld kwam van twee kanten en indianen waren zelf óók kolonisatoren, heet het dan bij voorkeur; in radicale versies van dit revisionisme zijn ze weer bloeddorstige wilden.

Gelukkig gaat Cozzens lang zo ver niet. Zijn relaas is, ironisch genoeg, al met al even deprimerend als dat van Brown. Wie de smeulende resten rond 1900 overziet, kan moeilijk ontkomen aan de conclusie dat inheems Amerika daadwerkelijk een koloniale, bij vlagen genocidale catastrofe heeft beleefd – beleid of niet.

Voor Nederlandse lezers valt dit vuistdikke boek een beetje tussen wal en schip. Als militaire geschiedenis is het vlekkeloos, maar ook beperkt. Voor wie de literatuur bijgehouden heeft, valt vooral op hoeveel er níét aan bod komt aan sociale, economische en culturele factoren.

Anderzijds, voor wie nog steeds graag een traan wegpinkt bij Dee Brown, zal De aarde huilt veel te gedetailleerd en feitelijk zijn. Cozzens’ droge proza helpt ook niet erg, ondanks de vakkundige vertaling – al is ‘vlakte-indianen’ voor ‘Plains Indians’ wennen, waar je zou verwachten ‘indianen van de Grote Vlakten’, of ‘prairie-indianen’.

Vlak is hun geschiedenis in elk geval niet.