Column

Gat

Op de rand van wat ik vanuit mijn perspectief een gat zou willen noemen, omdat het een leemte lijkt in een ruimte vol zaken die moeten, kunnen of zijn, een loze ruimte die lonkt omdat er stilte uit opstijgt, maar nog geen nanostraal licht, zit een klein mannetje. Hij kijkt het gat in. Ik zie hem op de rug. Hij draagt een wit overhemd met opgerolde mouwen en een zachtgrijs visgraat-gilet met mottengaten. Zijn benen verdwijnen in het donker van het gat, maar aan zijn lichaam, dat zacht van voor naar achter schommelt, kan ik zien dat hij met die benen wiebelt. Zijn schouders hangen, zijn rug is gekromd. Hij veegt slierten bruin haar, vet van pommade, uit zijn gezicht naar achteren.

Ik probeer hem te naderen en waad door een stroeve substantie die lijkt te bestaan om mij vast te houden. Steeds als hij dichtbij lijkt en ik mijn omgeving in zijn haar weerspiegeld zie, draait de ruimte als een Rubiks kubus, en zit hij boven, naast of onder mij.

Hij merkt mij niet op, heb ik de indruk. Komt vermoeid op mij over. „Wat kan ik doen?”, hoor ik hem mompelen. Zijn lichaam verraadt het antwoord. Hallo? Mijn stem komt mijn mond niet uit. Er is geen lucht die haar in deze ruimte kan dragen. Evengoed kijkt hij om. Of op? Hij is steeds ergens anders. Het is George Clooney. Nee, niet de filmster, die heeft net een tweeling gekregen, maar het mannetje in mijn hoofd waarmee ik ook initialen en een gezicht deel. Op de snor na, waar zo te zien resten melk in hangen. Ik vraag me af of hij ook net een tweeling heeft gekregen maar schud de gedachte van een slurpende George zo snel mogelijk van me af in de vorm van slierten melk die na een korte spurt vaart minderen en gewichtsloos als in een ruimteschip door deze bedompte kosmos zweven.

Mijn stem komt mijn mond niet uit. Er is geen lucht die haar in deze ruimte kan dragen

Waar ben ik eigenlijk? „Naar bed, bed, zei Duimelot, eerst nog wat eten, zei Likkepot” Hij speelt met zijn vingertjes en begint dan te zingen „Skippy! Skippy! Skippy the bush kangaarooooo! Skippy! Skippy! Bla bla bla. Dáár heb je Flipper! Flipper! Hij is gewéldig!” Tijdens dit laatste stukje lijkt hij soms weg te vallen, alsof er een slechte verbinding is. Pixels die zichtbaar worden, uiteenvallen, en een bouwwerk onthullen dat helemaal niet op George lijkt. Ze bouwen zich snel weer op en daar zit hij dan weer. Hij lacht een mechanische lach naar me. Zijn handjes liggen in zijn schoot.

Dan laat hij zich voorover het gat in vallen. De ruimte begint te schuiven ik ga methodisch verschillende kanten op, maar het is zonder referentiekader moeilijk te zeggen van waar naar waar precies. Het klinkt alsof er grote stalen platen over elkaar heen geschoven worden, de substantie, die aan pus met slijm doet denken, heeft mijn benen tot de knieën vastgezogen en er ratelt een takel.

Het gat is steeds op een andere plek. Soms dichtbij, dan weer ver weg. Tot ik naast de rand sta waar George net nog zat. Om me heen is nu niets. En hoewel niets op een bepaald moment aanlokkelijk leek, blijkt niets uiteindelijk precies wat het is. Ik trek mijn benen een voor een uit de blubber en spring George achterna.