Column

Doos

We waren de oudste dochter (2) kwijt. Ze zat in een doos. Alles zat in dozen die overal stonden. Ik had dozen met boeken afgetopt met kleren, zodat ze nog te tillen waren. Tip van de jongens van het studentenverhuisbedrijf, die de dozen waren komen brengen.

„Waar is de schone was?”, tetterde de vriendin, die er gek van werd dat ik de zaakjes nu eens voortvarend aanpakte.

„In een doos”, tetterde ik terug. „Fijn toch? Weg is weg.”

„Welke doos?”

Ondertussen werden dertig kilometer verderop alle boktorren professioneel vergast, was er een elektricien geweest die alle bedrading had losgetrokken en had de man van KPN nog nooit zo’n slecht bereik gemeten, hij meldde het maar even. De schilders uit Volendam deden niets tot ze een voorschot hadden ontvangen, maar de schoonmoeder had er wel het gras gemaaid.

Ik kreeg steeds meer verhalen te horen over mensen die als gezin of stel ooit naar een dorp waren verhuisd en alleen waren teruggekomen. De leegte van het grote niks was ze aangevlogen, en daarna waren ze elkaar aangevlogen.

Een gesprek over behang.

Waar waren al de opladers gebleven?

Niet in een doos, dat wist ik zeker.

De mensen van wie we onze huidige woning huurden waren op bezoek geweest, ze wilden dat we de trap schilderden.

Bij de hypotheek zat een bouwdepot, hoe werkte dat, want ze wilden allemaal geld vooruit.

Op de fiets naar de Rabobank voor een random reader, want die zat ook in een doos. Met één hand sturen, met één hand bellen.

„Alle bonnen inscannen”, zei een vriendelijke vrouw van de hypotheekverstrekker na zeven minuten wachten met de Moonlight Sonata van Ludwig van Beethoven. „U heeft toch wel een scanner?”

Ja, in een doos.

In de rij bij de Rabobank, tussen mopperende Amsterdammers die ook een random reader wilden. Maar één medewerkster, en nog een trage ook. Ik scoorde met de opmerking dat het altijd erger kon, ik ging verhuizen naar een plaats waar ze het Rabobank-filiaal hadden gesloten.

Het kinderdagverblijf herinnerde me eraan dat ik had beloofd om ook een keer speelgoed te wassen. Ik kon het me niet voorstellen, maar onder de kapstokjes stond wel een doos Duplo voor me klaar.

Ik kon het woord ‘doos’ niet meer horen, maar kreeg wel zin om het te zeggen. De medewerkster van de Rabobank trok haar hand terug uit de doos met random readers achter haar toen ik zei dat de oude in een doos zat.

„In een doos is niet kwijt, u krijgt een nieuwe als u de oude inlevert.”

Daar was ze heel streng in, dat was beleid. Ze wenste me wel sterkte met het bellen van het 0900-nummer.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz