Recensie

De vele onzichtbare gassen in de lucht krijgen een verhaal

Thomas Beddoes was zonder twijfel een van de vreemdste wetenschappers die Engeland ooit gekend heeft. Aan het eind van de achttiende eeuw geloofden velen dat ziekten een gevolg waren van het inademen van kwade gassen en dampen – malaria bijvoorbeeld betekent letterlijk ‘slechte lucht’. Omdat slagers veel minder vaak tbc leken te krijgen, vatte Beddoes het idee op om tbc-patiënten bloot te stellen aan de gassen die koeien produceren.

Ook richtte hij een onderzoekscentrum op, de Pneumatic Institution, waarin hij op systematische wijze de uitwerking van allerlei gassen op patiënten kon uitproberen. Het meest succes had hij met een gas dat ontstond als hij ammoniumnitraat verwarmde: het bleek een opwekkende uitwerking te hebben en onderdrukte de pijn.

Al snel verspreidde het nieuws over dit lachgas, want dat was het, zich door de stad, en kwamen velen bij Beddoes hun groene zijden ballonnetjes laten vullen. Later zou lachgas ook nog als narcosemiddel bij operaties worden gebruikt, al was de uitwerking daarvan niet altijd even betrouwbaar.

Het is slechts een van de vele anekdotes die wetenschapsjournalist Sam Kean verzamelde en opschreef in zijn vermakelijke boek Caesar’s last breath, waarin hij de onzichtbare gassen in de aardse atmosfeer een verhaal geeft. Het boek ontleent zijn titel aan het gegeven dat elke keer als we inademen er minstens één molecuul van de laatste ademtocht van Julius Caesar onze longen passeert. Dat mag erg onwaarschijnlijk lijken, want die laatste liter lucht van Caesar heeft zich sindsdien immers over de gehele atmosfeer uitgebreid, maar de hoeveelheid moleculen in een liter is zo enorm groot, een 1 gevolgd door 22 nullen, dat het toch kan.

In zijn boek bestrijkt Kean een breed palet aan wetenschappelijke ontwikkelingen, en hij doet dat met verve: van de techniek achter de stoommachine (waterdamp is immers ook een belangrijk bestanddeel van de atmosfeer) of een slimme manier om met behulp van zuurstof en koolmonoxide staal te maken, tot de chemie die ten grondslag ligt aan de omzetting van stikstof uit de lucht in ammoniak: een Duitse ontdekking uit het begin van twintigste eeuw die van levensbelang was, omdat het daardoor mogelijk werd kunstmest te maken.

Kean weet het allemaal glashelder uit te leggen, zij het dat hij hier en daar wel een erg populair taalgebruik bezigt. Maar dat is wellicht een kwestie van smaak.

Net als de ‘rational optimist’ Matt Ridley, over wie onlangs in Wageningen veel te doen was, heeft Kean een grenzeloos vertrouwen in de inventiviteit van de menselijke geest: voor alles is een technische oplossing, van het beïnvloeden van het weer tot het bestrijden van het broeikaseffect. Daar is natuurlijk veel méér over te zeggen dan hij doet. Dat is tegelijk een onvermijdelijk nadeel van dit soort boeken. Voor elk onderwerp is er gewoon te weinig ruimte.

De schitterende geschiedenis over de ontdekking van zuurstof bijvoorbeeld (door drie wetenschappers op bijna hetzelfde moment) komt er bij Kean wel erg bekaaid van af. Ook had ik graag meer willen lezen over het ontstaan van de aardse atmosfeer en wat zich daarin de afgelopen 4,5 miljard jaar allemaal heeft afgespeeld.

Maar goed, je moet nu eenmaal keuzes maken. En die van Kean hebben er in elk geval voor gezorgd dat Caesar’s last breath een boek is geworden waar je enthousiast van wordt en dat je dwingt om zelf op zoek te gaan naar meer.