Column

De Europese regering zetelt in iedere lidstaat

Op de Brusselse top gisteren en vandaag doen Europese regeringsleiders iets ongewoons: vooruitkijken. Een weelde! Na jaren kortademig crisisbeheer – euro, Oekraïne, vluchtelingen, Brexit – spreken Merkel, Macron, May, Rutte, Juncker en de anderen af welke thema’s ze tot in 2019 aanpakken. Verder gaat het over handel, migratie, Brexit. Er is geen acute crisis; met de situatie in Catalonië laat de EU zich voorlopig niet in. Opvallend is hoe toppenvoorzitter Donald Tusk het initiatief grijpt. De Pool was recent weinig zichtbaar, terwijl Commissieman Juncker en de Franse president Macron grote toespraken over Europa’s toekomst hielden. Eind september, in Tallinn, vroegen de regeringsleiders Tusk om een werkplan, een „Leiders’ Agenda”. Vergezichten zijn mooi, aldus de stemming, maar wat doen we concreet? Aan het werk! antwoordt een ambitieuze Tusk nu aan Rutte cs. Hij wil praktische besluiten over onderwerpen als veiligheid die mensen zekerheid en vertrouwen in de toekomst bieden; geen „onnodige institutionele of theoretische debatten”. Tusk beoogt zo de welkome dynamiek en dadendrang van Emmanuel Macron in goede banen te leiden – hetgeen ook pragmatici Merkel en Rutte zullen waarderen.

Regeren is greep krijgen op de toekomst, niet door elke lotswending worden overdonderd. Het Europese stelsel stelt zich er traag op in. Tijdens de eurocrisis was Tusks voorganger Van Rompuy nog de chef van een improviserend orkest; meermaals zei de Belg dat leiders pas besluiten nemen als ze „aan de rand van het ravijn staan, met de rug tegen de muur en het mes op de keel.” Dat was al iets. Met het gegroeide zelfvertrouwen kan nu meer.

Raspoliticus Donald Tusk weet dat ook een mooie lange-termijnagenda kan eindigen in een bureaucratische oefening, in vakjes afvinken. Frappanter is zijn bepleite werkmethode. Hij wil dat regeringsleiders zelf het heft in handen nemen: meer toppen, ook buiten Brussel; een sterkere verbinding tussen de Raad van de chefs en die van hun ministers. Brusselse besluitvorming loopt grofweg om twee redenen vast. De eerste is inertie en weerstand van economische deelbelangen en hun ambtelijke voorportalen in Brussel en de hoofdsteden. In een Kamerdebat vorige week noemde premier Rutte de interneteconomie: van de 43 maatregelen zijn er pas zes aangenomen, de rest is gestrand. Hier kunnen de presidenten en premiers knopen doorhakken. De tweede oorzaak van stagnatie: politiek conflict. Neem het asielbeleid; sinds de migratiestroom over de Balkan, najaar 2015, woedt een ruzie over opvang tussen Zuid-, West- en Oost-Europa (aankomstlanden à la Italië, bestemmingslanden à la Duitsland, asielweigeraars à la Hongarije). Tusk wil zulke botsende visies niet langer wegmoffelen achter semantische mistgordijnen (zoals het Brusselse instinct is), maar eerlijk in kaart brengen, elkaar recht in de ogen kijken, en dan besluiten. Blijkt unanimiteit niet haalbaar, schrijft hij, dan kunnen we altijd nog bekijken of clubjes landen vooruitgaan.

Tusk drukt „zijn” regeringsleiders met de neus op hun verantwoordelijkheid. Jullie vormen het Europese regeergezag. Premier Rutte beseft het ook. In genoemd voorbereidend Kameroverleg zei hij over de institutionele verhoudingen: „Ik zou zeggen: erken de rol van de Commissie [in het doen van voorstellen], maar uiteindelijk is het de Europese Raad die politiek richting geeft aan de EU en besluiten neemt.” Het mag in de Unie niet zo heten, maar een gezelschap leiders dat de koers uitzet en knopen doorhakt, dat kun je best ‘regering’ noemen. Klare taal dient de democratie. Met zichtbaar regeergezag weet het publiek naar wie te kijken, en de oppositie op wie haar pijlen te richten.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve). Onlangs verscheen zijn boek De nieuwe politiek van Europa.