De dwang van de Nederlandse deeltijdcultuur

Internationale vergelijking

In Frankrijk gaan bijna alle kinderen vijf dagen per week naar de crèche. Veel Nederlandse ouders gruwen van dat idee. We zitten vast in de ‘deeltijdklem’, met financiële kwetsbaarheid als gevolg.

Moeders trainen op de Tafelbergheide bij Blaricum. Bijna 2 miljoen Nederlandse vrouwen zijn ‘financieel kwetsbaar’ omdat ze weinig of niet werken. Foto Hollandse Hoogte / Bert Verhoeff

Logisch dat onze dochter moeite heeft met het wennen aan haar nieuwe crèche in Frankrijk, zegt een van haar leidsters. Ze komt er tenslotte „maar twee dagen per week”. Het is, vermoedelijk, niet onaardig bedoeld, maar illustreert wel haar verbazing over die Nederlandse ouders die slechts twee dagen opvang willen voor hun kinderen. Op een Franse crèche heet de leidster een ‘éducatrice de jeunes enfants’, bereidt een kok elke dag een driegangenlunch (denk aan: een salade van artisjokharten vooraf, gebraden kalfsvlees met gegratineerde spinazie als hoofdgerecht en ‘pain et fromage’ toe) en is een speciaal kantoortje ingericht voor een dokter, die dient als aanvulling op de eigen huisarts. Het is er bovendien kraakhelder – ik zie er zelden géén schoonmaakster aan het werk.

De kosten: ongeveer een tientje per dag, per kind. Een fractie van wat we betaalden toen we nog in Nederland woonden. De Franse overheid financiert veruit het grootste deel van de kinderopvang. De inkomensafhankelijke, ouderlijke bijdrage is nationaal vastgelegd.

Het is voor Franse begrippen een heel normale crèche. Dat die een behoorlijk uitgebreid pakket biedt, is niet zo vreemd. Want de kinderen brengen er het grootste deel van hun week door: minder dan vijf dagen naar de crèche is in Frankrijk eerder uitzondering dan regel.

De meeste Nederlanders vinden dat maar niets: uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, 2016) blijkt dat een minderheid van de Nederlanders het uitbesteden van de zorg voor hun jonge kinderen goed vindt, en ook dan hooguit voor een of twee dagen per week.

En zo doen we het dan ook, want in Nederland is deeltijdwerken de norm. Zeker voor vrouwen: driekwart werkt in deeltijd, tegenover een kwart van de werkende mannen. In Frankrijk daarentegen werkt nog geen derde van de vrouwen in deeltijd, en 8 procent van de mannen, volgens het Franse bureau voor de statistiek. Ongeveer gemiddeld voor Europa.

Doorstroming wordt belemmerd

Het is een bekend verhaal dat de arbeidsparticipatie in Nederland weliswaar bovengemiddeld hoog is, maar het aantal arbeidsuren juist tot het laagste van Europa behoort. Bijna twee miljoen Nederlandse vrouwen zijn ‘financieel kwetsbaar’, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige week. Dat is dubbel zoveel als het aantal mannen dat niet economisch zelfstandig is. Eerdere SCP-onderzoeken lieten al zien dat ongeveer de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking financieel afhankelijk is. Dat als stellen uit elkaar gaan, het de vrouw is die er gemiddeld een kwart op achteruit gaat in inkomen; de man boet financieel nauwelijks in. En dat een deeltijdbaan de doorstroming naar hogere functies belemmert en het arbeidspotentieel van Nederlandse vrouwen te weinig wordt benut. Dat laatste knelt, en zal nog veel meer gaan knellen, nu er steeds minder jonge en steeds meer oude mensen zijn.

Zouden Nederlanders méér gaan werken als de kinderopvang net zo betaalbaar en goed was als in Frankrijk? De basisscholen niet al halverwege de middag sloten? Als ouders níét het gevoel hebben dat ze falen als ze hun kind meer dan twee dagen per week naar de crèche brengen? En: is het mogelijk én wenselijk om die deeltijdcultuur een beetje af te zwakken, of moeten we die juist koesteren?

Het deeltijdwerken zit er in ieder geval diep ingesleten. Werkte een 35-jarige vrouw in 1985 gemiddeld 25 uur per week, in 2017 doet ze dat nog steeds. Ook is het niet zo dat iedere nieuwe generatie modernere opvattingen heeft dan de vorige, zegt SCP-onderzoeker Wil Portegijs. Hoewel de afgelopen decennia het opleidingsniveau en de arbeidsparticipatie van vrouwen zijn gestegen, blijven Nederlanders „met twee maten meten”. Portegijs: „Voor een moeder vinden we één, twee of drie werkdagen ideaal, voor een vader vier of vijf dagen.”

Deeltijdklem

Juist omdat Nederlandse vrouwen tóch maar een paar dagen werken, hoeft de kinderopvang ook niet zo goed te zijn. De Nederlandse deeltijdcultuur is heel dwingend voor de manier waarop de kinderopvang is vormgegeven, zegt Janneke Plantenga, hoogleraar economie van de welvaartsstaat in Utrecht. De pedagogische kwaliteit is bij 86 procent van de crèches ‘matig’, blijkt uit kwaliteitsmetingen van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO). Op, bijvoorbeeld, de onderdelen ‘ontwikkelingsstimulering’ en ‘begeleiding van interacties tussen kinderen’ scoorde driekwart van de pedagogische medewerkers zelfs een onvoldoende. De gemiddelde Nederlandse crèche is wel veilig en gezellig, maar de toegevoegde waarde ervan is laag. Nederlanders zien de kinderopvang als een dienst die arbeidsparticipatie mogelijk maakt, zegt Plantenga, en niet zozeer als een dienst voor de kinderen zelf. „Dan is gezelligheid belangrijk, en de educatieve waarde niet zo.”

Een gevolg daarvan is wat Plantenga de „deeltijdklem” noemt: Nederlandse ouders vinden het van slecht ouderschap getuigen als ze hun kinderen vijf dagen per week naar de crèche zouden brengen, en dat ís ook zo omdat de kwaliteit ervan niet zo goed is. En die kwaliteit is niet goed omdát er zo massaal in deeltijd wordt gewerkt.

Niet alleen de crèches, maar ook veel andere instituties zijn ingericht op deeltijdwerkende moeders. Zo kunnen zij om drie uur ’s middags op het schoolplein staan, waardoor basisscholen hun tijden niet hoeven aan te passen. Ter vergelijking: Franse kinderen gaan vanaf hun derde vierenhalve dag per week naar school, inclusief lunch en een door de gemeente georganiseerde naschoolse opvang. Gratis tot half vijf, daarna voor een klein (inkomensafhankelijk) bedrag.

Verder is het zwangerschapsverlof in Nederland aan de korte kant (zestien weken, inclusief de verplichte vier tot zes weken voorafgaand aan de bevalling) en het ouderschapsverlof van 26 weken meestal onbetaald. Dat is een stuk minder dan de ruim 65 weken die moeders gemiddeld in de EU (gedeeltelijk) betaald kunnen opnemen (zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof opgeteld), volgens recente cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD).

Maar ook dát is niet zo erg, aangezien Nederlandse moeders hun jonge baby’s toch niet vijf dagen per week naar de crèche brengen. Plantenga: „De druk om te komen tot een moderne verlofwetgeving is in Nederland niet zo hoog. In landen waar een voltijdse werkweek gebruikelijk is, is een langere periode van betaald verlof voor de hand liggender.”

Breekijzer

Die vicieuze cirkel, zegt SCP-onderzoeker Wil Portegijs, heeft zich ook uitgebreid naar de werkgevers. Sinds de invoering van de Wet aanpassing arbeidsduur in 2000 mogen verzoeken van werknemers om minder te werken alleen bij zwaarwegende redenen worden geweigerd. Portegijs: „Dat maakt de drempel om voor deeltijd te kiezen een stuk lager dan wanneer je daarvoor een heel andere baan moet zoeken.” Uit eerder SCP-onderzoek bleek dat veel werkgevers in de zorg en detailhandel voordelen zien van deeltijdwerk en functies hebben gecreëerd die alleen in deeltijd kunnen worden vervuld.

Tel daarbij op de maatschappelijke druk op moeders om niet te veel te werken en het toch al vaak aanwezige latente schuldgevoel dat ze er niet genoeg voor hun kinderen zijn, en zie daar de deeltijdklem. Nederlandse vrouwen wíllen die deeltijdbaan, het kán omdat Nederlandse huishoudens welvarend genoeg zijn en de samenleving is er volledig op ingericht. Plantenga: „En zo houdt het elkaar prettig in bedwang.”

Argumenten om het massale deeltijdwerken te bestrijden, zijn er genoeg – zie het eerder beschreven rijtje van financiële afhankelijkheid, onbenut arbeidspotentieel en gemiste carrièrekansen. Zo zitten er aanzienlijk minder vrouwen in de top van de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven dan in, bijvoorbeeld, de Franse: nog geen 19 procent versus bijna 40 procent van de bestuurders en commissarissen is vrouw.

De vraag is of betere en goedkopere Nederlandse kinderopvang voor verandering zou zorgen. De overheid heeft dat laatste al eens geprobeerd: tussen 2005 en 2009 werd de subsidie op kinderopvang steeds hoger. Daarop maakten er inderdaad steeds meer ouders gebruik van. Maar dat kwam vooral doordat ze informele oppas (zoals grootouders) inruilden voor formele opvang. Te veel geld voor te weinig resultaat, besloot de toenmalige regering, waarna de kinderopvang weer duurder werd en ouders hun kinderen weer van de crèche afhaalden. „Eigenlijk heel jammer,” zegt Portegijs, „want je zag het gebruik toenemen. En als mensen meer kinderopvang gaan gebruiken, mag je verwachten dat de opvattingen daarover ook gaan verschuiven. Maar daarvoor is een langere adem nodig”.

Ook hoogleraar Plantenga vermoedt dat betere en goedkopere kinderopvang, andere schooltijden en langer babyverlof tot verandering zullen leiden. Aan de andere kant: ook jongeren en mensen zonder kinderen werken vaak in deeltijd. „We zijn een rijke samenleving, we kunnen ons dat veroorloven. We zoeken de zingeving meer en meer náást het werk.” En ja, dat zit het gelijkheidsideaal in de weg.

Verandering vereist hoge investeringen, terwijl werkgevers én werknemers, mannen én vrouwen zich nog altijd blijmoedig voegen naar het deeltijdmodel. Er is een „breekijzer” nodig om dat model te kraken, zoals Portegijs het noemt, en dat kan alleen de overheid doen.

Die doet momenteel wel íéts: in een groot onderzoeksproject van het ministerie van OCW en het SCP wordt onder meer onderzocht waarom Nederlandse vrouwen ook al vóór ze kinderen krijgen voor een deeltijdbaan kiezen, en of dat te beïnvloeden is. In antwoord op eerder dit jaar gestelde Kamervragen, zei inmiddels demissionair minister Bussemaker (PvdA) dat op basis van de uitkomsten zal worden gekeken „welke aanvullende beleidsacties gewenst zijn”.

Het beste zou zijn, meent Plantenga, als Nederlanders wat gedifferentieerder gaan denken. „De Franse mal, waarin iedereen vijf dagen werkt, is niet mijn ideaal. Maar die deeltijdklem ook niet. De Nederlandse flexibiliteit, waarbij je kunt kiezen om minder te werken, is prettig. Alleen: vrouwen blijven er te veel in hangen en mannen worden er te weinig bij betrokken. Misschien zitten zij ook wel in een maatschappelijke klem, waarin voltijds werken de norm is.” Misschien, zegt ze, moeten die flexibiliteit en diversiteit wat breder getrokken worden. „Voor moeders én voor vaders is een werkweek van 24 uur prima, maar een werkweek van 40 uur óók.”