Recensie

Catalanen delven altijd het onderspit

Catalonië

Twee boeken bieden historisch perspectief op het Catalaanse verlangen naar onafhankelijkheid, onontbeerlijk nu het conflict tussen Madrid en Barcelona op de spits wordt gedreven.

Republikeinen barricaderen zich achter twee dode paarden in de straten van Barcelona in 1937. Foto Universal History Archive/UIG via Getty Images

Apátrida – stateloos, zo noemen vele Catalanen die zich evengoed burger van Spanje als burger van Catalonië voelen zichzelf, nu zowel de separatisten in Barcelona als de unionisten in Madrid een dergelijk genuanceerd standpunt onmogelijk maken. Na een onwettig referendum kondigde premier Rajoy gisteren aan de Catalaanse deelstaatregering zaterdag uit de macht te zullen ontzetten, waarmee hij de wig vergroot.

Het Catalaanse verlangen naar onafhankelijkheid komt voort uit de wens om het heft in eigen handen te nemen, een eigentijdse roep om te breken met de stroperige regering in Madrid. Het wordt echter bovenal gevoed door een moeilijker te doorgronden nationalisme, waar twee boeken nieuw licht op werpen.

Raphael Minder, Spanje-correspondent voor The New York Times, schreef een buitengewoon goed getimed en grondig werk over Catalonië, de Catalanen, hun taal, hun geschiedenis en de recente economische problemen die de roep om verandering aanwakkerden. Bij de Arbeiderspers verscheen onlangs een herziene druk van George Orwells Saluut aan Catalonië.

Zoals in ieder politiek conflict is de geschiedschrijving precair. Minder laat in zijn boek zowel separatisten als unionisten aan het woord. Rajoy en de zijnen, van de centrum-rechtse Partido Popular, beweren dat er nooit een onafhankelijk Catalonië heeft bestaan. Ze refereren graag aan Spanje als de oudste natie van Europa, ontstaan in de vijftiende eeuw toen koningin Isabella van Castilië trouwde met koning Ferdinand II van Aragón, waar toen Catalonië toe behoorde.

Discutabel, volgens de separatisten, omdat een huwelijk tussen twee vorsten nog geen eenwording betekent. Zij benadrukken dat Catalonië pas op 11 september 1714, toen het Catalaanse leger zich moest overgeven aan de heerschappij van koning Philip V, deel werd van de Spaanse monarchie. De koning verbood de Catalaanse taal, die vervolgens pas weer eind negentiende eeuw in zwang raakte en vervolgens ook onder Franco in de ban was. Het is de taal die de Catalanen meer dan wat dan ook bindt.

Die elfde september, de dag van de overwinning van Philip V, wordt opmerkelijk genoeg gevierd als de dag van de onafhankelijkheid. Sinds een paar jaar trekt die ‘Diada’ een steeds maar wassend publiek, nadat er in 2010 ingrijpende bezuinigingsmaatregelen waren doorgevoerd en tegelijkertijd een Catalaans verzoek om grotere autonomie was afgewezen door het constitutioneel hof in Madrid.

Politiek laboratorium

In 1936, schrijft Minder, was Spanje het politieke laboratorium van Europa. Fascisten en communisten vochten tegen elkaar, geholpen door aan de ene kant Hitler, die zijn vliegtuigbommen op Guernica uitprobeerde, en aan de andere kant Stalin, die de communisten bewapende.

De arbeidersbeweging in Barcelona was een drijvende kracht achter de Tweede Republiek, die ten val kwam na Franco’s coup en de daaropvolgende burgeroorlog. De linkse milities in het destijds autonome Catalonië waren talrijker en revolutionairder dan elders. Zij roken revolutie, landerijen werden gecollectiviseerd, kerken geplunderd, geestelijken vermoord. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog, zo citeert Minder een historicus, was Barcelona een paradijs voor kunsthandelaren en antiquairs.

De herinnering aan de Spaanse Burgeroorlog in Catalonië wordt vaak vereenvoudigd tot het idee dat Spanje nog altijd Franco is, en Catalonië het verzet daartegen. De wapenstokken die Madrid inzette om de Catalanen op 1 oktober j.l. bij de stembussen weg te houden en de autoritaire, onverzoenende toon die Rajoy aanslaat, getuigen in dat licht niet van groot historisch besef bij de regering.

Glibberige loopgraven

George Orwell (pseudoniem van Eric Blair) vertrok begin 1937 naar Spanje en sloot zich daar aan bij de militie van de POUM, de Partido Obrero de Unificación Marxista, de marxistische arbeiderspartij. Van januari tot april vocht hij met hen op de hoogvlakten van Aragón tegen het leger van Franco. Aan het front gebeurde er niets. Dat weerhoudt Orwell er niet van om hoofdstukken achtereen minutieus te beschrijven hoe hij zijn dagen slijt in de glibberige loopgraven in de Spaanse winter. Met een zeldzame combinatie van scherpte en mededogen schrijft Orwell over de banaliteiten aan het front, over de luizen die in ieders broek krioelden en de tot latrines gedegradeerde kerken.

De milities hadden een jammerlijk gebrek aan wapens; ze moesten het doen met een paar roestige geweren en ‘neutrale handgranaten’ die evenveel slachtoffers maakten onder degenen die ze wilden ontsteken als bij de vijand. Bovendien waren de stellingen zo onhandig opgeworpen dat de vijand veel te ver zat om te kunnen raken, zelfs met behoorlijk geschut. Orwell beschrijft hoe het zo een heel verbale oorlog werd; met megafoons werd er over en weer geschreeuwd om elkaars moreel te ondermijnen. ‘Vecht niet tegen je eigen klasse’, was volgens Orwell een effectieve leus om weifelende fascisten te doen deserteren. Ook opscheppen over de culinaire welvaart bij de republikeinse milities was populair: ‘Toast met boter! We beginnen hier net aan de toast met boter! Heerlijke toast met boter!’ Terwijl natuurlijk ook de POUM het moest doen met bonen uit blik.

Na zijn eerste paar maanden aan het front keert Orwell terug naar Barcelona, waar hij getuige is van straatgevechten tussen communisten en anarchisten. Een duizelingwekkend aantal zelfstandige milities, bestaande uit vakbonden van boeren en arbeiders, anarchisten, marxisten, trotskisten en communisten, maakte elkaar het leven zuur – zozeer dat al die losse groepjes, in de zomer van 1937 tegen wil en dank samengebracht in het Volksleger, uiteindelijk het onderspit moesten delven. Orwell tekent uit de mond van een kameraad op dat de straatstenen in Barcelona genummerd zouden moeten worden, omdat dat enorm veel moeite zou besparen bij het steeds maar weer oprichten en afbreken van de barricaden bij de constante onderlinge strubbelingen.

Pijnlijk is de eenvoudige parallel naar de huidige onafhankelijkheidsbeweging. De separatistische groeperingen in Catalonië zijn talrijk en breed gedragen, maar variërend van uitgesproken links tot conservatief. Wat de onafhankelijkheid op economisch of sociaal gebied inhoudt, blijft buiten beschouwing, want daar bestaat tot nog toe geen enkele consensus over.

The Struggle for Catalonia opent met een citaat van Orwell uit een essay over nationalisme: ‘Every nationalist is haunted by the belief that the past can be altered.’ Het valt nog te bezien in hoeverre de onafhankelijkheid de Catalanen kan verzoenen met de nederlaag van 1714, en de daaropvolgende drie eeuwen onvermijdelijke historie.