Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

‘Alles wat hij deed was scheppen’

Karina Wolkers

Tien jaar geleden overleed schrijver Jan Wolkers, deze week verscheen zijn biografie. Zijn vrouw Karina over leven met en na Jan. ‘Dienstbaarheid is toch geen slavernij?’

Vanachter de tafel voor het raam kun je het kerktorentje van Den Hoorn zien, dat als een kompasnaald loodrecht naar de hemel wijst. Dit uitzicht was het laatste dat Jan Wolkers zag. Die oktobermiddag in 2007 zag hij vanaf deze plek hoe de zon onderging. En hij wist dat het zijn laatste zonsondergang was, zegt Karina Wolkers. „Toen hij daarna opstond om naar het toilet te gaan zei hij: ‘Ik zal maar niet meer teruggaan, hè?’ En ik zei: ‘Ga maar lekker weer naar bed.’” Die nacht werd hij nog één keer wakker. Hij had honger. Maar van de boterham met rodebessengelei die Karina voor hem maakte, nam hij maar één hapje. „Hij bleef maar kauwen. Ik zei: ‘Je moet niet alleen kauwen maar ook slikken.’ Toen moest-ie lachen. Hij keek me stralend aan en zei: ‘Zo is het genoeg.’ Dat is het afscheid geweest. Daarna is hij niet meer wakker geworden.”

Wolkers is inmiddels al tien jaar dood, maar hun huis op Texel is nog altijd vol van Jan. Overal staan zijn glazen sculpturen en beeldjes en hangen zijn tekeningen en schilderijen. Op de schildersezel in de huiskamer een doek met een kleurrijke sneeuwjacht, zoals Wolkers ze in de laatste jaren van zijn leven vaak maakte. Het staat er achteloos te wachten, alsof de kunstenaar alleen even weg is om een ommetje te maken.

Hier woont hij, in een klein Zwaluw-luciferdoosje.

Karina mist hem eigenlijk niet. „Want Jan is niet weg. Je hoort mensen na de dood van hun partner weleens zeggen: ‘Het is of er een deel van mij geamputeerd is’. Dat heb ik helemaal niet. Ik heb Jan ingelijfd.” Wijzend op haar buik: „Hij zit hiér. Hier woont hij, in een klein Zwaluw-luciferdoosje.”

Een half jaar voordat Jan stierf, zei ze het al, in een televisie-interview: „Jan gaat nooit dood. Niet voor mij”. Later heeft ze daar nog vaak aan moeten denken. „Hoe kon ik dat nou weten? Maar het is echt waar.”

De stoel van Jan staat er nog steeds. Daar zit ze nooit in. „In die stoel zweef je tussen realiteit en werkelijkheid, precies zoals Jan altijd heeft geleefd. Ik zit liever stevig op mijn kont.” We zitten nu ook op een andere plek dan vroeger. Niet meer aan de eettafel, met dat uitzicht op het kerktorentje, maar in de ruimte naast de keuken. „Deze plek is het meest veranderd van het hele huis. Vroeger was het hier helemaal dicht, met luxaflex en gordijnen. Ik heb dit weer geopend.” Vanaf hier heb je van twee kanten zicht op de tuin. En op het werkhuisje, waar Wolkers sinds 1980 zijn boeken schreef. „Dit is echt mijn eigen plek.” Op tafel staan wel dezelfde soort hapjes als toen Jan nog leefde: broodjes met ham en kaas, appeltaart en zure augurkjes. De zwart-witte kat Rafaël lijkt zich er nog meer op te verheugen dan wij. Die kat heeft Jan ook niet gekend, merkt ze terloops op. „Rafaël is echt mijn kat.” We drinken koffie en we roken een sigaartje. Precies zoals Jan dat deed. „Hij zei altijd: de geest moet waaien.”

Ze ontmoette Wolkers in 1962. Zij was zestien, hij zesendertig. Vijfenveertig jaar lang waren ze samen, tot die 19de oktober 2007. Hoe het na bijna een halve eeuw was om weer die ene alleen te worden? Nou ja, ze had er natuurlijk toch wel langzaam naar toe geleefd, zegt ze. „Jan was de laatste vijf jaar van zijn leven behoorlijk fragiel. Vroeger deed hij alles. Hij kookte, deed de boodschappen. Want alleen het beste was goed genoeg. Ik bereidde alles voor in de keuken. Ondertussen dekte ik de tafel. Bij het koken zelf mocht niemand aanwezig zijn. Het moest een mysterie zijn. Jan was een enorme regisseur, besliste alles. Dat had natuurlijk ook met het leeftijdsverschil te maken. Ik was twintig jaar jonger dan hij, had de houding van een leerling. Maar ik had wel altijd heel goed opgelet hoe hij de dingen deed. Heel langzaamaan nam ik het van hem over.”

Een duidelijk keerpunt kan ze niet aanwijzen. „Het leven verglijdt nou eenmaal langs lijnen van geleidelijkheid. Toen hij ouder werd, schoof ik als vanzelf in de mantelzorg. Jan stond jarenlang om zes uur ’s ochtends op. Hij lag dan al uren te popelen om aan de slag te gaan. Dan moést hij schrijven of schilderen. Dat werd met het ouder worden natuurlijk minder. Maar vroeger mocht ik nog geen kop koffie zetten. Dat moest namelijk precies op zijn manier. Hij was zo perfectionistisch. Koffie zetten, koken, ook dát was kunst voor hem. Alles wat hij deed was schéppen. Het was allemaal onlosmakelijk verweven met zijn artistieke talent.”

Geen normale verhouding

Of het niet moeilijk voor haar was om zich zo dienstbaar op te stellen, ondanks haar eigen kwaliteiten? Ze glimlacht ondoorgrondelijk. „Dienstbaarheid is toch geen slavernij? Het had ook met onze karakters te maken. Jan kon vroeger heel fel uit de hoek komen. En ik was heel erg overtuigd van zijn visie en zijn gelijk. Ik heb mezelf ondertussen wel uitgebreid ontwikkeld, ben Frans, Engels en kunstgeschiedenis gaan studeren. Dat zou nooit gebeurd zijn als ik Jan niet ontmoet had. Jan zei weleens voor de grap: ‘Karina studeert nu kunstgeschiedenis, dan begrijpt ze tenminste wat ik doe’. Maar ondertussen kon ik hem wel op heel veel vlakken bijstaan. Hij heeft veel gehad aan wat ik allemaal geleerd heb. Als je zelf schrijft, heb je geen tijd om ook nog ’ns de hele Engelse literatuur door te nemen. We lazen sowieso allebei heel andere boeken. Ik las vooral romans, Jan las graag biografieën.”

„We hadden natuurlijk geen normale verhouding zoals veel andere mensen hebben. Het was muze-kunstenaar, leerling-leraar, secretaresse-baas. Daardoor hadden we ook nooit stomme ruzies over wie de vuilnisbak buiten moest zetten.”

Door de jaren heen werd hun relatie wel gelijkwaardiger, vindt ze. „Vooral toen we in 1980 hier op Texel kwamen wonen en er een gezin kwam. Voordien was ik wel zijn muze, maar was er tegelijk afstand. Ik was ook een toeschouwer, die toekeek hoe hij als een detective in zijn leven aan het graven was. Daar gingen bijna al onze gesprekken over. Toen we in 1981 kinderen kregen, trad er een verschuiving op. Vanaf dat moment stond niet alles meer in het teken van zijn kunstenaarschap. De laatste twintig jaar waren we heel goed op elkaar ingesteld. Jan was helemaal in balans. De demonen uit zijn jeugd waren eindelijk verslagen. Daar heeft hij tot zijn zestigste tegen gevochten. Daarna kwam er rust. Dat zie je ook in zijn werk. Hij schreef in die tijd prachtige essays, had een enorme productie in zijn schilderijen.”

Biografie

Deze week verscheen Het litteken van de dood, de biografie van Wolkers, door Onno Blom. Ze is blij dat die er nu is. Niet alleen blij, ze is zelfs opgelucht. „Nu hoef ik niet meer zoveel te onthouden. Ik stond heel vaak ’s morgens op met een herinnering aan Jan, die ik dan gauw opschreef omdat ik bang was dat-ie anders zou verdwijnen. Onno weet nu bijna meer dan ik. Niet de kleine persoonlijke dingen natuurlijk. Maar hij heeft de cirkel groter gemaakt. Hij heeft Jans vriendinnen gesproken, maar ook zijn oudste zoon. Die kwam opnieuw met het verhaal dat Jan hem mishandeld zou hebben. Er is ongetwijfeld weleens een klap gevallen. Jan was 22 toen Eric geboren werd; veel te jong en onrustig om al een goede vader te zijn. Maar ik vind het treurig als je daar als man van in de zeventig na zoveel jaar je gram over wilt halen. Was daar dan mee gekomen toen Jan nog leefde.”

Na de dood van zijn vader belandde Jan in een diepe identiteitscrisis.

Hoe dan ook, ze kan nu tenminste loslaten. „Want alles is nu enigszins gerangschikt.” Dat wil niet zeggen dat ze van alle verhalen in de biografie opveerde. Er staan ook passages in het boek die ze lastig vindt, omdat ze verdrietige herinneringen bevatten. Ze wil er niet te gedetailleerd op ingaan. Het heeft te maken met een periode waarin er ook andere vrouwen in het spel waren. „Hij heeft onze relatie toen echt op het spel gezet.” Het speelde zich af rond Wolkers’ eenenvijftigste levensjaar. „Na de dood van zijn vader belandde hij in een diepe identiteitscrisis. Hij heeft er een boek over geschreven: De doodshoofdvlinder. Hij ging er niet eens voor de deur uit. Hij betrok mij erbij; triootjes, allerlei gedoe. Dat was voor mij nog tot daar aan toe. Maar het werd voor hem opeens veel serieuzer. Het was achteraf ook een midlifecrisis. Hij had op dat moment zijn belangrijkste werken al geschreven. En voor een man van Jans generatie was je in zijn ogen met vijftig oud en afgeschreven. Dat ging gepaard met depressies. En depressies worden soms opgelost met seks.”

Het was ook de tijd waarin Jan en Karina voortdurend met de dood te maken kregen: zijn vader overleed, haar vader ook. En ook hun lievelingskat Voske ging dood. „Hij hield meer van die kat dan van zijn vader. Met die kat leefde hij elke dag.” De dood van haar eigen vader markeerde een belangrijke kentering in hun bestaan. „Toen ik hoorde dat hij dood was, ben ik meteen met de pil opgehouden. Ik wilde een kind, als antwoord op al die doden. Ik was dertig, vond dat de tijd er rijp voor was. Maar Jan aarzelde. Hij vond het doodeng om weer vader te worden. Maar het is het geluk van zijn leven geweest.” Bob en Tom zijn nu zesendertig; net zo oud als Wolkers was toen hij haar ontmoette. Ze moet er vaak aan denken. „Dan realiseer ik me: wat had Jan op hun leeftijd al veel meegemaakt. Bob en Tom hebben een veel betere start gehad, en zijn daardoor veel harmonieuzere jongens.”

Midsomer Murders

Ze is niet meer in de rouw. Dat ging na een jaar of twee over. Maar in het begin was het zwaar. „Het eerste jaar heb je nog referenties aan het jaar daarvoor, toen je nog samen was. Het tweede jaar komt daarna keihard binnen, omdat-ie dan opeens zo ver weg lijkt. Het ergste was dat totale gebrek aan energie. Ik heb máánden voor de tv gehangen, tot diep in de nacht. Ik heb echt alle afleveringen van Midsomer Murders – dat zijn er zeker honderd – wel drie keer bekeken. Ik kon bij elke aflevering al na twee minuten de dader aanwijzen. Rouw is vooral ook totale uitputting; niet in staat zijn om mensen terug te bellen of om een mail te beantwoorden.”

Na een jaar of twee begon dat weg te ebben. Toen kwamen er ook uitnodigingen van festivals, om werk van Jan voor te lezen. „Dat vond ik erg fijn. Maar ik nam wel altijd iemand mee. Want juist op zo’n avond kon ik me intens alleen voelen.”

Karina en Jan Wolkers in oktober 2000. Foto Vincent Mentzel

„In het begin aarzel je enorm om terug te gaan naar plekken die je samen hebt bezocht. Omdat je dan die eenzaamheid zo voelt. Toen Bob in Edinburgh ging werken, ging ik een keer met hem mee. In de National Gallery of Scotland stond ik voor een schilderij van Frans Hals. Jan was dol op Frans Hals. Die vond hij veel beter dan Rembrandt. Toen er ooit een tentoonstelling was waarbij De Staalmeesters naast Regentessen van het Oudemannenhuis hing, kwam Jan die zaal binnen en riep: ‘Zo… 1-0 voor Frans Hals’. En nu stond ik voor Portret van een onbekende man. Tien jaar eerder had ik daar ook voor gestaan, samen met Jan. Hij had me in vervoering op alle details gewezen. En terwijl ik weer naar die onbekende man stond te kijken, zei die man opeens: ‘Hij is er niet meer, hè?’ Ik begon te snotteren. En tegelijk voelde ik Jans hand op mijn schouder.” De herinnering ontroert haar. Nee, het heeft helemaal niks met religiositeit of met geesten te maken, benadrukt ze. „Dit noemen ze een rouwhallucinatie. Dat heb je gewoon als je zo lang met iemand hebt samengeleefd.”

Er is inmiddels al veel gebeurd dat Jan niet meer heeft meegemaakt. „De afgelopen jaren zijn er veel lieve vrienden overleden. Steye Raviez (Wolkers lijffotograaf), Mat van Hensbergen (documentairemaker). Hugo Claus natuurlijk. Jan en Hugo belden elkaar altijd met Nieuwjaar. Ze beschouwden elkaar als dierbare vrienden. En ook Willem Breuker en Jeroen (Wolkers’ jongste zoon uit een eerder huwelijk) zijn er al niet meer. Ik ben echt heel blij dat hij de dood van Willem en Jeroen niet heeft meegemaakt. Toen ik erover hoorde, dacht ik in een flits: dit mag Jan nooit te weten komen. Dat had hij gewoon niet kunnen verdrágen.”

Aan verhuizen heeft ze geen seconde gedacht. De gedachte alleen al. Elke centimeter van dit huis is geplaveid met herinneringen. Hoe zou ze hier ooit weg kunnen? „Jan z’n as ligt hier, en de as van onze katten. Onder de tulpenboom, op de plek waar hij elke dag langsliep als hij naar het atelier ging. Ik weet zeker dat hij zou vinden dat hij op een goede plek ligt. Elke dag liep hij langs dat kattengrafje, waar een witte roos in een fles staat. En altijd weer zei hij: ‘Wat is dat toch een schitterende roos’. En ik wéét dat hij dan dacht: op een dag ligt mijn as hier ook.”

Aan een nieuwe liefde moet ze al helemaal niet denken. Nee zeg, stel je vóór. „Vergeet ook niet dat ik nu alle vrijheid heb. Jan was natuurlijk wel een heel aanwezige man. Ik plooide me volledig naar hem. Als Jan zei ‘Zullen we daarheen’, dan gíngen we daarheen. Dan liet ik ogenblikkelijk alles uit mijn handen vallen waar ik op dat moment mee bezig was. Daar stond tegenover dat het leven met Jan zo ongelofelijk boeiend was. Met Jan beleefde je elke dag een nieuw verhaal. Dat is altijd zo gebleven. Wat moet ik dan met iemand anders? Ik zeg weleens: ik ben niet eenzaam, maar wel alleen. Ik troost me met de gedachte dat ik hem zo lang bij me heb mogen hebben. Die vijfenveertig jaar met Jan zijn genoeg om de volgende vijfenveertig jaar mee verder te kunnen.”