Column

Wie stoken het vuurtje voor de nieuwe crash?

Alan Greenspan, de kersverse voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, was in Dallas geland toen Wall Street al gesloten was. Hij moest daar een rede houden. Bij zijn vertrek uit Washington was het somberheid alom. De beurzen in Hongkong en Europa waren gekelderd. De Dow Jones-aandelenindex stond na de opening scherp lager.

Greenspan was sinds twee maanden voorzitter van de Federal Reserve. Hij moest zich nog bewijzen als de opvolger van het ‘orakel’ Paul Volcker. Dat was een halve heilige die jaren eerder de torenhoge inflatie had bedwongen. Greenspan had zelf een paar weken eerder de rente verhoogd. Dat had de financiële markten niet beroerd. Maar nu dit.

Hoe is de Dow gesloten, was het eerste dat hij in Dallas op het vliegveld wilde weten. Hij had aan boord geen telefoon. Laat staan internet. Vijf nul acht, zei de man die hem kwam ophalen. Dan heeft de markt zich knap hersteld, reageerde Greenspan opgelucht. Hij dacht dat de man 5,08 punten bedoelde. Maar die schrok. Nee, 508 punten. De Dow Jones was 22,6 procent gekelderd. De grootste daling ooit op Wall Street op één dag. Een record dat nog altijd standhoudt. Het was 19 oktober 1987. Black Monday.

Op de dertigste verjaardag van dé crash is dé vraag: wanneer komt de volgende? De omstandigheden zijn er rijp voor. Wall Street breekt record na record. Sinds het dieptepunt van de beurzen in maart 2009 zijn de koersen met wat kleine onderbrekingen blijven stijgen. De centrale banken ondersteunen de koersen met hun onconventionele geldpolitiek. Zij orkestreren al jaren een ultralage rente. Daarmee probeerden zij om te beginnen de economische groei te stimuleren. Dat is gelukt.

De lakmoesproef voor groeiherstel is een hogere inflatie, als een krappe arbeidsmarkt bedrijven dwingt om hogere lonen te betalen. Maar de inflatie aanwakkeren wil maar niet lukken. Centrale bankiers, (voormalige) beleidsmakers en academici kampen met onzekerheid en twijfel, berichtte collega Maarten Schinkel vorige week vanaf de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds, de jamboree van centrale bankiers en geldgiganten.

Een ECB-ingewijde vatte het in Washington zo samen: de Europese Centrale Bank heeft 2.000 miljard euro gespendeerd om de inflatie met 0,2 procentpunt op te krikken tot 1,1 procent. Het doel: 2 procent inflatie. „1.000 miljard voor 0,1 procentpunt inflatie. Dan klopt er iets niet.”

Het gewetensonderzoek komt op een hachelijk moment. De ultralage rente stimuleert beleggers tot steeds dollere avonturen om tenminste nog enig rendement te maken op hun geld. De centrale banken zijn de eersten om dat te erkennen, maar wat moeten zij anders …

Zij worden geconfronteerd met de ongemakkelijke waarheid dat zij op een voetstuk terecht zijn gekomen. Zij zijn de verlossers geworden. Hebben zij die rol gekregen van politici die het zelf niet konden? Of durfden? Of hebben ze die genomen, omdat zij politici zagen verzaken en dachten: nou wij. Het doet er niet zo veel toe. De weg naar de Olympus liep voor de centrale bankiers via die 19 oktober 1987. Drie jaar eerder hadden de Amerikaanse toezichthouders al een van de leidende banken gered. Die bank was te groot om failliet te gaan. Het redden van banken, van beurskoersen en van het héle geldstelsel, zoals in 1987 en 2008, zien centrale banken sindsdien ook als hun missie.

Als de ontluikende twijfel over hun eigen beleid overslaat naar genoeg beleggers en kapitaalkrachtige speculanten, en het vertrouwen vervliegt, heb je de volgende crash.

Maarten Schinkel is afwezig.