Recensie

Hoe raar de dingen, hoe snakkend de mensen

Het Teylers Museum eert illustrator Sieb Posthuma (1960-2014) met een tentoonstelling en een – prachtig – boek. Maar alleen als je zijn werk echt ziet, besef je hoe hij knippend en plakkend ook gretig reikte naar de derde dimensie.

Elegant en snaaks – dat zijn de tekeningen van Sieb Posthuma (1960-2014). Met scherpe pen en nat penseel, in trillende lijnen en kleurige vlakken, zat hij al tekenend de werkelijkheid te temmen. In het Teylers Museum in Haarlem neemt de expositie Sieb Posthuma – Werk de bezoeker mee, zijn sprookjesland in. Daar is het leuk, al gaat het er niet zachtzinnig aan toe.

Vaak werkte hij gedetailleerd, tekent rimpeltjes en vlekken, graaiende vingertjes, een mond als een scherf. Maar net zo vaak koos hij voor oervormen: een boom is een blad, een lichaam is een ei, een hoofd is een en al neus. En altijd weer stelde Posthuma vast hoe raar de dingen zijn en hoe snakkend de mensen. Zie zijn tekening van een nachtblauwe stad, waar een gondelier een vrouw-in-een-fles ophaalt uit het donkere water. Zeven vissen kijken onbewogen toe.

Stap 1: De glimlach

De tekeningen hebben een cartooneske inslag. Het grapje komt makkelijk. Dat is de eerste stap, je glimlacht. Denk dan voorbij het plaatje en je ziet een gedachte. Kijk nog wat en je ervaart een gevoel waarvoor geen woorden bestaan.

Dat kan ontroerend zijn, zoals de tekening met een stuk of wat figuurtjes die in trance met hun hoofden in hun nek staan te genieten van een wolk dwarrelende rode herfstblaadjes. Maar het kan ook anders. En al is zijn werk nooit gemeen, stout is hij graag: op het bord van een vrouw met tandjes, mes en vork ligt een lul.

Rintje

Posthuma’s beroemdste creatie is Rintje. Tientallen kleine stripverhalen wijdde hij aan de avonturen die hij voor zijn eigen hond verzon. Samen tonen ze een verloren paradijs, waar Posthuma binnen mocht kijken. Rintje werd een geliefde held, op de boeken volgden theater en film. Maar op deze expositie is Rintje sporadisch te zien. Wel is er een zorgelijk zwartgrijs ‘Zelfportret’, met Rintje als een kleuter voorop de fiets. Tegenwind blaast, de weg is nat. Maar Rintje geniet, dus alles komt goed.

De tentoonstelling in Teylers is bescheiden, hij bestaat om het boek Werk te begeleiden dat recent uitkwam. Een rijk boek, mooi uitgegeven en met veel meer tekeningen dan er in Teylers hangen. Maar wie de expositie verzuimt, mist iets. Want hoeveel het boek ook prijsgeeft, dat Posthuma in zijn werk gretig reikte naar de derde dimensie, valt weg. Veel van zijn tekeningen zijn deels collages. Hij knipte en sneed uit en lijmde en dat kun je niet zomaar over het hoofd zien.

Heel lief en heel alleen

Zo is er die tekening van het grachtenpand. In het boek zie je niet dat het zolderraampje uit karton is geknipt en werkelijk open staat. Maar juist dat maakt het maanverlichte meisje dat op de hijsbalk staat, angstaanjagend actief: ze opende dus dat raam, ze klom doelbewust naarbuiten. Nu kijkt ze omlaag. Is ze bang? Zo te zien niet. Maar ze zit ook niet twee etages lager achter dat gezellig geel verlichte venster, aan tafel bij haar familie. Een familie die haar dus niet mist. Nee, zij staat op die hijsbalk en kijkt nieuwsgierig in de afgrond. Posthuma tekende haar heel lief. En heel alleen. En dat is verschrikkelijk.

De harde realiteit is dat Sieb Posthuma in 2014 een einde aan zijn leven heeft gemaakt en dat zijn werk daar nu moeilijk los van gezien kan worden. Zo zijn hier op de tentoonstelling nogal wat tekeningen met aan bomen vastgebonden mensjes – als honden achtergelaten door wie voor ze zouden moeten zorgen. Kansloos.

Onder de tekening van een, onverdraaglijk aandoenlijke jongen, die klem zit in een soort kast of huisje, schreef Posthuma in zijn calligraferende handschrift ‘Gek kind’. In het boek vielen die woorden weg, maar ze zijn onmisbaar. Zonder zie je een sneue bange jongen. Mét die woorden vertelt de tekening over angst. Gaat hij over nergens bij horen, over dan maar liever onvindbaar willen zijn. Als het moet geknakt in een nauwe kist.