Opinie

Gevangen in de blik van de man

Het objectiveren en kleineren van vrouwen is geen natuurwet. Het is een cultureel gegeven, schrijft . „Die cultuur moet op de schop.”

Foto istock, bewerking NRC

‘Nu banger? Een vrouw is altijd alert.’ Het is de kop van een verhaal dat afgelopen maandag in NRC verscheen. Verschillende vrouwen vertellen daarin hoe zij ook pre-Michael P. liever niet ’s nachts door parken en bossen fietsten. Judith doet ’s nachts haar fietslichten niet aan, zodat ze minder goed zichtbaar is voor freaks die in de bosjes lopen. Barbara maakte eens mee dat zij en haar zus gevolgd werden door een man die 50 euro bood voor seks.

Aan zo’n beetje de helft van de NRC-lezers bood het verhaal nul komma nul nieuwe informatie. Voor vrouwen is het een tweede natuur om overal op straat een keer extra om je heen te kijken, na te denken over waar je gaat en staat. In het verkeer, in de supermarkt of in de nachtclub: altijd zijn er mannen die opdringerig naar je kijken en/of hun handen niet thuis kunnen houden. Hoe vaak dit gebeurt, blijkt maar weer uit het massale gebruik van de hashtag #metoo op sociale media de afgelopen dagen, waaronder vooral vrouwen hun ervaringen met seksueel geweld of seksuele intimidatie de wereld in stuurden.

Het zorgt ervoor dat vrouwen zich permanent in een soort ‘panopticum’ begeven. Dat was een gevangenisontwerp van de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832), dat bestond uit een cirkelvormige structuur met op elkaar gestapelde transparante cellen en in het midden een wachttoren, van waaruit één bewaker alles kon overzien. Die wachttoren was geblindeerd, zodat gevangenen nooit zeker wisten of ze nou in de gaten gehouden werden of niet. Het zou er niet eens toe doen: de altijd aanwezige mogelijkheid tot observatie zou ze al tot orde manen, was Benthams idee: zichtbaarheid is een machtsmiddel.

Zo is het precies voor vrouwen die zich op straat begeven. Ook als er nooit wat (ergs) gebeurt, hebben die blikken en de altijd sluimerend aanwezige dreiging een flink effect. Dat betekent dat de bewegingsvrijheid van vrouwen ernstig wordt ingeperkt. Na het uitgaan alleen naar huis, even afsnijden door dat ene steegje of alleen op reis in het buitenland: je denkt wel drie keer na.

Opvallend vond ik het daarom dat dit in het NRC-verhaal van maandag haast als een onbekende wetenswaardigheid werd gepresenteerd – een beetje zoals we weleens een indringende reportage lezen over het leven van een vluchteling en denken: goh wat erg, nu begrijp ik hem/haar beter. Is deze voor vrouwen ingebakken staat van zijn voor mannen dan zúlk onbekend terrein?

Misschien wel, dacht ik toen ik bij Pauw fragmenten zag van het regeerakkoorddebat. De redactie had er een paar ‘lollige’ uit gevist. Mark Rutte vergeleek de PVV met „een vrouw die eigenlijk helemaal niet bemind wil worden en zichzelf daarom zo ón-aan-trek-ke-lijk mogelijk voordoet”. Geert Wilders bestempelde Rutte III tot „een soort genderneutraal kabinet zonder ballen en zonder vrouwelijke charme”.

Een sterk staaltje locker room talk in de Tweede Kamer. Toegegeven, ook ik moest glimlachen. Maar het feit dat dit soort grappen ook door onze volksvertegenwoordigers zo makkelijk worden gemaakt, legt iets bloot: hardnekkige stereotypes over vrouwen en hoe ze zich moeten gedragen om ‘mannen met ballen’ te behagen – mooi, lief en charmant.

Lees ook: De affaire-Weinstein, seksuele intimidatie, is het allemaal nou echt zo erg? Ja. Het is erg. Ik weet het want ik maakte het mee. Ik was 29, schrijft columnist Joyce Roodnat.

„Wat vrouwen als vrouwen definieert is dat wat mannen opwindt”, schreef de Amerikaanse feminist Catherine MacKinnon in de jaren negentig. „Alsof het wezens zijn die voor mannen bestaan.” De excessen daarvan kennen we allemaal wel: vrouwonvriendelijke porno, rapclips, mensenhandel en seksueel geweld. Over de onwenselijkheid daarvan hoeven we niet lang te debatteren: iedereen is het erover eens dat mannen als Harvey Weinstein monsters zijn.

Maar we moeten oppassen dat de morele afschuw voor dit soort mannen niet als bliksemafleider dient voor het onderliggende probleem. We leven in een wereld waarin vrouwen nog altijd structureel geobjectiveerd, gekleineerd en achtergesteld worden. Een wereld die mannen vormgeven en die vrouwen ondergaan, zowel op micro- als op macroniveau.

En dat is geen natuurwet, maar een cultureel gegeven, vond de Franse filosoof Simone de Beauvoir (1908-1986). Het heersende beeld van mannen als stoere leiders en vrouwen als aantrekkelijke volgers kán gekanteld worden. Daarvoor zouden we volgens haar niet alleen de economische positie van vrouwen moeten verbeteren, maar zouden „de wetten, de instituties, de waarden, de publieke opinie en de hele sociale context” op de schop moeten.

Bijna zeventig jaar na de publicatie van haar essay De tweede sekse zijn we nog lang niet zover gekomen. Meer vrouwen werken – hoera, dacht ik. Tot ik de uitslag van een recent onderzoek van Tinder las, naar wat mannen aantrekkelijke beroepen voor vrouwen vinden. Verpleegster, stewardess en model stonden in de top. Niks ten nadele van die banen – maar dat mannen vrouwen graag in verzorgende en charmante rollen zien, werd maar weer eens bevestigd.

De vrouw die zich spiegelt aan de man, de vrouw die hij onbeperkt met zijn blik mag vangen. Zolang wij – mannen en vrouwen – ernaar blijven leven, breken we nooit uit het panopticum.