Zonnekoekjes en poppennonnetjes

Ewoud Sanders

In een zonnige, Rotterdamse tuin zei iemand laatst tegen me: „Er zit een kapoentje in je nek.” Ik moest even nadenken, maar toen wist ik het weer: in Rotterdam wordt een lieveheersbeestje een kapoentje genoemd.

Dit kleine voorval leidde tot de vraag wat Sinterklaas met lieveheersbeestjes te maken heeft. We zingen immers: „Sinterklaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje.”

De Dikke Van Dale bleek geen uitkomst te bieden. Volgens dit woordenboek heeft kapoentje twee betekenissen: het is een ‘niet algemene’ aanduiding voor lieveheersbeestje en zou een ‘vleinaam voor St.-Nicolaas’ zijn. Bij de tweede betekenis wordt het bovenstaande liedje aangehaald.

De woordcombinatie Sinterklaas kapoentje is in het midden van de negentiende eeuw voor het eerst opgetekend. De schoolmeester J.H. van Dale, de latere woordenboekmaker, meldde in 1851 in het tijdschrift De Navorschser dat hij in zijn jeugd in Sluis dit liedje zong: „Sint Niklaas, kapoentje/ Leg wat in mijn schoentje,/ Al wat er niet inne kan,/ Leg dat dan maar achteran.”

Het woord kapoen bestond toen al heel lang. Het stamt uit de dertiende eeuw en betekende oorspronkelijk ‘gecastreerde haan’. Vervolgens werd kapoen als scheldwoord voor ‘Jood’ gebruikt (kennelijk legde men een verband tussen castratie en besnijdenis) en daarna voor ‘deugniet’ of ‘kwajongen’.

Maar hoe zijn Sinterklaas en de kapoen bij elkaar gekomen? De eerste theorie is het eenvoudigst: omdat kapoentje op schoentje rijmt. Ter vergelijking: halverwege de negentiende eeuw kwamen bonbon en regenton rijmend samen in deze regels, die ook niet echt hout snijden: „Sint Niklaasje du bonbon/ gooi wat in de regenton.”

Volgens een andere theorie verwijst kapoentje naar de celibataire levensstijl van Sint-Nicolaas. „Sinterklaas was bisschop en het feit dat hij (mogelijk) celibatair leefde, zou in verband gebracht kunnen zijn met castratie en dus met kapoen”, aldus het Genootschap Onze Taal. Mooi, dat ‘mogelijk’ tussen haakjes: het genootschap sluit niet uit dat de Spaanse kindervriend, net als sommige pausen, kuisheid vooral aan anderen oplegde.

De theorie die het vaakst wordt genoemd is dat de combinatie Sinterklaas kapoentje is geïnspireerd door Klaas Kapoen. Dit personage vinden we aan het begin van de negentiende eeuw terug op verschillende zogenoemde centsprenten, platen met stripachtige tekeningetjes met bijschriften. Op een centsprent van omstreeks 1833 wordt het leven van Klaas Kapoen verteld: wilde in de wieg al niet deugen, wordt soldaat, deserteert, wordt bendelid, pleegt een moord en eindigt onder de guillotine.

Als de woordcombinatie Sinterklaas kapoentje inderdaad door de deugniet-boef Klaas Kapoen is geïnspireerd, lijkt het mij sterk dat je kapoentje als een ‘vleinaam’ voor Sint-Nicolaas moet opvatten, zoals Van Dale wil. Kapoentje lijkt me dan eerder een (mogelijk seksueel getinte) spotnaam. Waarom het lieveheersbeestje kapoentje wordt genoemd is niet bekend.

In de tuin in Rotterdam wist iemand te vertellen dat er voor dit kevertje in Nederland tientallen dialectbenamingen bestaan. Dat bleek te kloppen. Boterbeestje, hemellammetje, jezusjesbeestje, kezenmolletje, koffiekuikentje, liefhennetje, onzelievevrouwpulletje, liefvrouwemuisje, lieveheerspaardje, lievelammetje, mariabeestje, oliebeestje, pim-pam-poentje, pimpernelletje, poppennonnetje, stippelbeestje, zonnekoekje: ik ken in Nederland geen ander diertje dat zo veel poëtische namen heeft.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders