Zij dichten op de uitvaarten waar niemand komt

Poëzie
Wie eenzaam sterft, verdient in elk geval een waardige uitvaart. Dat vinden de dichters die sinds 2002 een gedicht voorlezen op uitvaarten van eenzame doden. Hun verhalen zijn te horen en lezen in uitvaartmuseum Tot Zover, in Amsterdam.

Een eenzame uitvaart op begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen in 2015. Dichter van dienst Joke van Leeuwen en collega Maarten Inghels lopen achter de lijkwagen aan met daarin de urn van de eenzame overledene. Foto Bianca Sistermans/Cokkie Snoei

O, als ik dood zal, dood zal zijn, kom dan en fluister, fluister iets liefs.

De woorden van J.H. Leopold maakten ooit diepe indruk op de 14-jarige Anneke Brassinga. Nu is de dichteres, die te horen is op de expositie Hier besta ik in Uitvaart Museum Tot Zover, zelf iemand die woorden fluistert in de oren van de doden. Samen met 11 andere dichters werd Brassinga geïnterviewd en geportretteerd door voormalig theatermaker en publicist Hester van Hasselt en fotograaf Bianca Sistermans.

Het kunstenaarsduo, dat samen al meerdere projecten maakte over taal en poëzie, raakte in 2012 gefascineerd door ‘De eenzame uitvaart’. Dit initiatief, naar een idee van de Groningse stadsdichter Bart FM Droog, werd in 2002 in Amsterdam opgezet door dichter F. Starik. Hij verzamelde een groep dichters om zich heen, waaronder Brassinga, Menno Wigman en Eva Gerlach, die eenzame doden met een gedicht naar het graf begeleiden.

„Als je in je eentje sterft en zonder familie of kennissen het graf in gaat, wordt wel heel duidelijk wat eenzaamheid is”, zegt Sistermans. Ze vertelt dat in Amsterdam jaarlijks gemiddeld vijftien mensen in volledige eenzaamheid sterven. „Dat een dichter de moeite neemt om voor zo’n eenzame dode een gedicht te schrijven om zo iemands bestaan te bekrachtigen, vind ik een ultiem gebaar van beschaving.”

Met name dit humane karakter van ‘De eenzame uitvaart’ wordt benadrukt op de expositie in het Amsterdamse Uitvaartmuseum.

Zo hangen de gedichten van de dienstdoende dichters van de ‘Poule des Doods’ naast de zwart-wit portretten die Sistermans maakte. Ook zijn er delen van de interviews te horen van de dichters – waaronder Anneke Brassinga, Maria Barnas, Menno Wigman, Eva Gerlach en wijlen Wim Brands – die vertellen hoe zij dit uitzonderlijke werk ervaren. Iets waar ze in het gelijknamige boek nog uitvoeriger op ingaan. Daarin vertelt Neeltje Maria Min hoe ze een keer een baby moest begraven die in een plastic zak te water was gelaten en beschrijft Maria Barnas hoe ze voor haar eerste eenzame uitvaart een gedicht moest schrijven voor een man die uit China kwam en uit het raam van zijn huis was gesprongen. ‘Ik ben naar zijn huis gegaan (…) Het enige wat ik kon bedenken was kijken naar wat hij had gezien toen hij uit het huis sprong.’ Door te kijken naar wat de man moest hebben gezien, kon Barnas zijn ervaring delen.

Vooral onder ouderen is eenzaamheid een probleem. Een maandelijks kaartje kan al helpen

Het is deze toewijding die telkens terugkomt tijdens de gesprekken, zegt Van Hasselt. „De dichters zeggen allemaal: zodra we het bericht van een dode binnenkrijgen, leggen we alles aan de kant. Met het beetje informatie dat ze vaak hebben, gaan ze meteen aan de slag.”

Zo vertelde Menno Wigman haar hoe hij een keer een gedicht moest schrijven voor een oudere dame die rond Kerst was overleden. „Hij zei daarover: ‘Ik was de hele kerst bezig met die mevrouw. Ze wandelt met je mee.’”

Dit is geen klusje

Het zorg dragen voor een eenzame dode vergt heel wat inzet, bevestigt ook initiatiefnemer Starik, die bij alle begrafenissen in Amsterdam aanwezig is. „Dichters krijgen een vergoeding van 300 euro van de gemeente, maar ze zijn er ook veel tijd mee kwijt.” Als dichter-coördinator zoekt hij, zodra hij via de gemeente melding krijgt van een eenzame dode, contact met eventuele familieleden, benadert de dienstdoende dichter en maakt van iedere uitvaart een verslag.

„In het begin dacht ik wel: dit is een hele opgave, misschien moet ik het stokje een keertje doorgeven. Maar Anneke Brassinga zei een keer tegen mij: ‘Ik heb goed nagedacht of ik dit wil doen want ik beschouw dit als een lifetime commitment. Dit is geen klusje.’ Dat geldt ook voor mij. Deze taak hoort nu bij mijn leven.”

Inmiddels heeft Starik al 220 begrafenissen bijgewoond. „Slechts twee keer heb ik verzuimd omdat ik op vakantie was.” Zelf schreef hij ‘een keer of tien’ een gedicht. „Degene die me altijd meteen te binnen schiet is nummer 69. Dat was meneer van der W., een fantast. Zijn zus, die niet naar de begrafenis kwam, vertelde me over de telefoon over zijn leven. Hij had in het verzet gezeten en de Duitsers hadden hem tijdens de oorlog in zijn hand geschoten waardoor zijn middelvinger stijf omhoog stond. Op basis van die informatie heb ik toen mijn gedicht geschreven. Na de begrafenis hoorde ik van een ander familielid dat dit verhaal helemaal niet klopte. Maar eigenlijk vond ik dat helemaal niet erg. Ik vond het mooi dat deze man met zijn versie van de werkelijkheid is begraven.”

Zichtbaar maken wat ontbreekt

Wat valt er te vertellen over iemands leven en sterven? En heeft het eigenlijk wel zin om een gedicht voor te dragen aan een dode die het niet kan horen? Het zijn vragen die ook telkens langskomen in de interviews. Zo concludeert Ester Naomi Perquin: ‘Schrijven voor ‘De eenzame uitvaart’ is zichtbaar maken wat ontbreekt. Niemand had het gemist als je het niet gedaan had. Dat is misschien de kern, waarom het zo lastig uit te leggen is. Alsof je iemand erop wijst: ik heb op zolder een kastje gevonden, god, ik wist niet eens dat het daar nog stond.’

Het project van Sistermans en Van Hasselt is dan ook bedoeld om te wijzen op de genadeloosheid van die eenzaamheid en het belang van medemenselijkheid. Een reden waarom Sistermans op de expositie ook negen grote kleurenprints toont die symbool staan voor de eenzaamheid: beelden van een glijbaan op het strand of een achtergebleven omtrek van de lijst van een schilderij op het behang. De huizen van de eenzame doden zocht ze bewust niet op. „Nieuwsgierigheid naar de mensen die eenzaam sterven of de huizen waarin ze wonen is nooit onze drijfveer geweest”, zegt Sistermans. „Dat voelde zelfs ongepast. De kleurenfoto’s zijn intuïtief ontstaan. Eenzaamheid is heel menselijk en kan iedereen overkomen.”

Reden ook dat zij en Van Hasselt nu zelf actief iets hebben ondernomen om eenzaamheid in de stad tegen te gaan. „Via het Rode Kruis Amsterdam zijn we maatje geworden voor een eenzame Amsterdammer. We gaan nu, om de beurt, iedere twee weken langs bij een dame van 89. De stad kan vol leven zijn, de vereenzaamden zijn gewoon onder ons, alleen weten we het vaak niet.”

‘Hier besta ik’. In Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover, t/m 11 februari 2018. totzover.nl Het boek ‘Hier besta ik’, van Hester van Hasselt en Bianca Sistermans, is verschenen bij uitgeverij Querido €24,99.