Schoenmaker met een huis vol kunst

Verzamelwoede Een Limburgs schoenmakersechtpaar verzamelde een paar duizend werken van één kunstenaar. Kamer, keuken, souterrain en tuin: alles staat vol. Nu is er een tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum.

Jacques en Miny Defauwes in hun huiskamer in Heerlen, voor een werk van Jaap Mooy. Foto Chris Keulen

Jaap Mooy (1916-1987) had een beroemd kunstenaar kunnen zijn. Maar dan had hij ‘ja’ moeten zeggen toen Constant hem in 1948 vroeg om deel te nemen aan Cobra. En hij zei ‘nee’. Jaap Mooy, autodidact en een leven lang tegendraads, wilde nergens bijhoren. Dat antwoord is nu zijn bekendste erfenis.

De andere erfenis bestaat uit zijn werk: een paar duizend tekeningen, collages, kijkkastjes, sculpturen en brieven. Díé erfenis wordt beheerd door Jacques (69) en Miny (71) Defauwes, een Limburgs echtpaar dat Jaap Mooy leerde kennen in 1982. Jacques was toen 34, hij was net voor zichzelf begonnen als orthopedisch schoenmaker. Zijn eerste schoenen maakte hij in de huiskamer, Miny deed de administratie en boven, in de wieg, sliep de oudste van hun drie kinderen. Toen Jaap Mooy in 1987 overleed, stond en hing hun huis vol kunst, in de tuin stond een groot, met zeildoeken gemaakt beeld. Miny Defauwes: „Ik weet nog dat de buurvrouw vanwege dat beeld kwam aanbellen. Ze dacht dat de wasmolen was omgevallen.”

De verzameling-Defauwes is sinds een week tentoongesteld in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Dat wil zeggen: een deel, de collectie is veel te groot om in haar geheel te laten zien. Meer werk van Jaap Mooy is voor kleine gezelschappen op verzoek te bezichtigen in het nieuwe, tegenwoordig veel grotere huis van Jacques en Miny. Daar liggen ook de paar honderd brieven opgeslagen die ze elkaar in vijf jaar tijd schreven. En in de tuin staat nog altijd de zeilensculptuur.

Hoe kon deze bijzondere vriendschap ontstaan? En vervolgens vijfendertig jaar lang het leven bepalen van Jacques en Miny Defauwes?

Jaap Mooy aan Jacques Defauwes: „Denk maar zo Sjaak, de stakkers die op jouw schoenen lopen laten toch een spoor achter in het zand en zonder jouw schoenen moeten ze treurig achter het raam blijven zitten en dat is de ruimtelijkheid die jij mogelijk maakt.”

Jacques Defauwes, vertelt hij, komt uit een schoenmakersfamilie: zijn vader, zijn grootvader, zijn overgrootvader, allemaal maakten ze schoenen. Maar toen hij het vak wilde leren, was dat al op zijn retour. „Mijn vader zei: als je het echt wilt, word dan orthopedisch schoenmaker. Zelf had hij op het laatst geen zaak meer en moest hij ander werk zoeken.”

Het werd zijn geluk: toen hij met pensioen ging, had hij een bedrijf met ruim zeventig werknemers opgebouwd. Maar tegelijk was het een soort noodlot. Jacques Defauwes: „Ik maakte schoenen die mensen eigenlijk niet willen. Het grootste compliment dat ik kon krijgen was: zijn dat orthopedische schoenen, dat had ik helemaal niet gezien. Niet: wat zijn dat mooie schoenen.”

Foto Chris Keulen

Mooi, dat was de kunst waar hij kennis mee maakte dankzij het carnaval. „De praalwagens in ons dorp werden beschilderd door echte kunstenaars. Ik ging dan kijken in hun ateliers. Die wereld fascineerde me.” Al op zijn achttiende kocht hij zijn eerste kunstwerk. „Van een kunstenaar uit een dorp verderop, Lei Molin. Mijn ouders vonden het maar niks. Leg het maar onder je bed, zei mijn moeder. Of bovenop de klerenkast.”

Later ging hij voor zijn opleiding naar de stad, Eindhoven. En Lei Molin, van wie hij steeds meer werk had gekocht, nam hem mee naar Amsterdam. „Het waren de jaren zestig, de tegenstelling met waar ik vandaan kwam was enorm. In het dorp regeerde de kerk. Daar was het benauwend.”

Lei Molin was weggegaan uit Limburg. Hij had een atelier in IJmuiden. En hij kende Jaap Mooy. „Zo is het gekomen. Lei had als decoratie houten schoenmallen van mij in zijn atelier staan. Jaap zag ze daar en vroeg: heeft die schoenmaker nog meer van die voeten?”

Jacques Defauwes bracht ze hem, een hele doos vol. Daarna kreeg hij zijn eerste brief.

Jaap Mooy aan Jacques Defauwes: „Wat het geheim is van kunst? Daar kom je niet achter door dingen op te hangen. Ik wil dat jij – door te vergelijken er achter komt wat goed is – en met goed bedoel ik dat wat gezicht heeft en eerlijk is en geen decoratie.”

Jaap Mooy bevond zich begin jaren tachtig in de nadagen van een turbulente loopbaan. Na een opleiding tot smid-bankwerker had hij besloten kunstenaar te worden. In Bergen, Noord-Holland, waar hij was geboren en altijd was blijven wonen, was hij geholpen door Charley Toorop. Zij had zijn authentieke talent herkend – en hem afgeraden een kunstopleiding te volgen: wees eigenzinnig, maak zelf je keuzes.

Onrecht

Vervolgens, in het kader van de Arbeitseinsatz, had hij moeten helpen puinruimen in het gebombardeerde Bremen. Dat had hem geïnspireerd, Mooys kunst werd een permanente aanklacht: tegen machthebbers, tegen machtsmisbruik en meer in het algemeen tegen systemen en afhankelijkheid. Zijn werk, bijna altijd min of meer figuratief, maar in diverse elkaar opvolgende stijlen, had hem enige tijd bekendheid gebracht, van eind jaren vijftig tot begin jaren zeventig, vooral dankzij zijn sculpturen van schroot.

Jacques Defauwes: „Zijn atelier maakte een enorme indruk op me. Ik was vaker in ateliers geweest, dan zei je: ik vind die blauwe mooi, en die groenige trouwens ook. Maar bij hem ging het ergens over. Zijn werk handelde over oorlog, over onrecht. Ik had het gevoel: hier kom ik zelf ook verder mee.”

De brief verbaasde hem wel. Maar hij antwoordde meteen. „Ik schreef hem: we doen een beetje hetzelfde, jij en ik. Jij probeert via je werk mensen op het goeie spoor te houden, ik laat ze letterlijk rechtop lopen.”

Jaap Mooy aan Jacques Defauwes: „Het heeft mij jaren gekost om enigszins redelijk een kunstwerk te kunnen beoordelen. En dat wil jij nu allemaal even snel ook kunnen begrijpen? Beschouw mij maar als een soort Charley. Ik wil je graag helpen.”

Vanaf die eerste briefwisseling werd Jaap Mooy voor Jacques en Miny Defauwes wat Charley Toorop voor hém was geweest: een leermeester. Hij raadde ze boeken aan, en muziek, en scherpte hun blik. Jacques en Miny kwamen bijna elke maand wel een keer langs op het atelier, hoe druk het ook was op de zaak. En dan reden ze terug met een paar tekeningen of een serie collages. Miny Defauwes: „Al ons geld ging naar de kunst. We namen in die tijd ook geen vakantie. Dan zei onze oudste zoon: iedereen gaat met vakantie, maar wij niet. En dan zeiden wij: van een schilderij heb je een heel jaar plezier, van vakantie maar een week.” Jacques Defauwes: „Ik werkte hard, ook op de zaterdag en op zondagmorgen. De kunst, de boeken en de brieven hielpen me erdoor. Die harnasten me tegen wat ik zag op mijn werk: mensen die een infarct hadden gehad en nauwelijks meer konden praten of lopen – en die nu mijn schoenen nodig hadden.”

Jaap Mooy aan Jacques Defauwes: „Wat dat boek van Camus aangaat moet ik je wel even waarschuwen. Het absurdisme is niet zomaar een grap – net zo min als dada alleen maar gekkigheid is. […] Als je Camus hebt gelezen en het bevalt je moet je aan Beckett beginnen. Overigens moet je ook Kafka lezen maar nogmaals pas op dit is geen vrolijke wereld. Niet voor niets zegt de kerk zalig zijn de armen van geest. Wat niet weet, deert niet. Ik wil je niet je vrolijke lach ontnemen Sjaak.”

Jacques Defauwes: „De Slegte opende precies in die tijd een filiaal in Maastricht. Daar ging ik toen kunstboeken kopen, steeds van elk boek twee exemplaren: dan konden we gelijk op lezen. Vanaf dat moment kreeg ik andere brieven van hem. Kijk eens naar die lijn, schreef hij bijvoorbeeld: zie je dat die breekt? Een lijn van Egon Schiele, leerde ik dan, is iets heel anders dan een Matisse-lijn.”

Ook die lijnen zelf verbonden hen. „Met schoenen gaat het net zo goed over een lijn waaraan je vorm geeft. Die mag niet te veel hellen, want dan valt de drager voorover. Of hij valt juist achterover. Maar ik kon de schoen altijd nog bijwerken. Een tekenaar heeft niks anders dan zijn lijn. Dat fascineerde mij ook.”

Na de dood van Jaap Mooy in 1987, aan een hartaanval, besloten Jacques en Miny om door te gaan met het kopen van zijn werk. „Zo zorgden we er ook voor dat het goedging met zijn weduwe, Tineke. En toen zij overleed, negen jaar geleden, erfden wij van haar wat er nog over was in het atelier.”

Al dat werk is nu geordend in een indrukwekkende, door hen bekostigde monografie, waarin tevens een deel van de brieven is opgenomen. En er is dus de tentoonstelling, waar ook enkele tientallen kunstwerken te zien zijn die ze de afgelopen decennia kochten van andere kunstenaars: Michael Ackerman, Jos Berkers, Les Deux Garçons. Miny Defauwes: „We kopen nog steeds. En dan zeggen de kinderen: wat, alweer kunst?”

Verzameling Jacques & Miny Defauwes, Bonnefantenmuseum, Maastricht, t/m 27 mei. Monografie Noord West – Zuid Oost. Jaap Mooy, de kunstenaar en zijn verzamelaar, 368 pag., 50 euro.