Column

#MeToo en ik zweeg uit respect voor de kunst

De affaire-Weinstein, seksuele intimidatie, is het allemaal nou echt zo erg? Ja. Het is erg. Ik weet het want ik maakte het mee. Ik was 29, schrijft columnist Joyce Roodnat.

Carine Crutzen als Neelie Kroes Foto Claudia Kamergorodski

In de schouwburg zitten, woedend worden en niet weg kunnen. Het gebeurt me zelden. Maar nu wel, bij Neelie!. Maar ik houd mijn fatsoen, ik blijf zitten en kijk toe hoe dit stuk Neelie Kroes misbruikt. Zij is een legendarische politica die bewees dat geen vrouw onderdoet voor een man, inclusief machtshonger en onbesuisde beslissingen. Daarnaast claimde ze het recht om zich niet te excuseren voor haar uitbundige uiterlijk – leer daarvan, mannen in pakken!

Maar daar heeft het stuk Neelie! allemaal geen boodschap aan. Dat definieert Kroes via de mannen die ze heeft bewonderd, geneukt en/of vernederd. Dat is sowieso bespottelijk, maar het is eens zo wrang omdat we dezer dagen leven met de affaire-Weinstein. Voor wie het miste: Hollywood-mogul Harvey Weinstein vergreep zich tientallen jaren aan actrices. Zijn omgeving wist dat, niemand deed iets. Maar nu brengen zijn slachtoffers de moed op om zijn wangedrag aan te kaarten. Door hun actie is wereldwijd het gesprek geopend over seksueel machtsmisbruik. Over vrouwen die hun carrière wel kunnen vergeten tenzij ze zich voegen naar de mannen van wie ze afhankelijk zijn.

Nogal wat (niet alle, stil maar) machtige mannen lijken het logisch te vinden dat ze met een vrouw kunnen doen wat ze willen. Aan ze zitten, dus. Seks en sekse bepalen het meisje, wat haar kwaliteiten ook zijn – en Neelie! onderschrijft dat.

Intussen klinken er relativerende geluiden: is het allemaal nou echt zo erg? Ja. Het is erg. Ik weet het want ik maakte het mee. Ik was 29 en mocht voor NRC in Parijs Claude Lanzmann gaan interviewen, de documentairemaker die met zijn fenomenale film Shoah (1985) doordrong tot het wezen van de nazi-vernietigingskampen. Een held dus, een groot kunstenaar.

Het gesprek voltrok zich bij hem thuis, hij ging uitvoerig in op elke vraag. En terwijl hij sprak over Auschwitz en de manier waarop hij kampbeulen attaqueerde met een verborgen camera, zat hij me te bepotelen. Hem beleefd afwerend liet ik hem zo’n beetje begaan. Ik kende mijn plaats. Hij was de grote filmer, ik was niemand. Bovendien, ik moest dat interview maken, onverrichter zake terugkeren was onmogelijk. Het interessante is dat hij noch ik iets zei over zijn gedrag.

Toen hij al te eng deed, stond ik op en zei ik dat ik weg moest. Hij stond erop me een lift te geven en ik stapte nog in zijn auto ook. Waarom? Ik zou het niet kunnen zeggen. Uiteindelijk kwam ik bij mijn positieven. Bij een stoplicht ben ik uitgestapt.

Ik heb het artikel geschreven en niemand iets verteld. Ik zweeg uit respect voor de kunst. Later hoorde ik dat ik de enige niet was. Dat hielp.