‘Ik wil dat het model van me houdt’

Naaktportret Samen met kunstenaar Jeroen Hermkens maakt Arnon Grunberg een serie naaktportretten. Deel 4: met Andres uit Bolivia.

‘Nu ga je zeker niet je kleren uittrekken”, zegt Jeroen Hermkens ietwat plagerig in de taxi op weg naar het mannelijk model. Ik had tegen Jeroen gezegd: „We moeten ook een man hebben.” En hoewel Jeroen vrijwel uitsluitend vrouwelijke naakten schildert – een keer heeft hij een stelletje gedaan – is hij akkoord gegaan. Hij voegde eraan toe: „Langzamerhand ben jij mijn favoriete model aan het worden.”

Via een oproep op mijn site hebben we Andres Palacios gevonden. Hij woont samen met zijn partner op de 51ste verdieping, niet ver van Hell’s Kitchen, een buurt in het westen van Manhattan. Het uitzicht is adembenemend, je kunt zowel de Hudson als de East River zien, een stukje van het Central Park, de George Washington Brug.

Andres doet open in een korte blauwe broek en een wit T-shirt, hij loopt op slippers. Hij heeft iets jongensachtigs, hij is tenger, zijn bruine haar is kortgeknipt. Eerder had Jeroen mij bekritiseerd omdat ik op slippers liep, in een korte broek. Ik antwoordde: „Dit is New York, het is zomer en het is zondag.”

Het appartement van Andres is keurig opgeruimd en maakt daardoor een ietwat onpersoonlijke indruk, alsof de woning niet te veel geheimen mag verklappen.

„Sommige mensen deinzen terug voor het uitzicht”, zegt Andres. Hij schildert ook, zijn kunst hangt overal aan de muur. Overblijfsel van Open Studio 2017, een project waarbij kunstenaars in New York zonder tussenkomst van een galerie in hun eigen ruimte kunnen exposeren. Naast de woonkamer is een kleine kamer, de kinderkamer of logeerkamer, omgebouwd tot atelier. Het werk van Andres is zowel abstract als realistisch. Ik voel me aangetrokken tot zijn portretten hoewel hij dat zelf als zijn mindere werk beschouwt.

„Laten we beginnen”, zegt Jeroen.

We zitten in het atelier van Andres, op de grond ligt plastic, New York op de achtergrond. Andres gaat weg, het duurt even en dan duikt hij naakt op. Hij gaat op verzoek van Jeroen bij het raam staan. Ik zit achter een tafel. Misschien meer nog dan bij de vrouwelijke modellen heb ik de neiging zijn gezicht te bestuderen en de rest te ontwijken. Ik besef dat mijn blik onaangenaam kan zijn. Toch formuleer ik in mijn hoofd een beschrijving van zijn geslachtsdeel.

„Ik werk veel met modellen”, zegt Andres. „Het is vreemd, het model is er tegelijkertijd wel en niet. Als je schildert vergeet je dat het er is. Het is zo’n technische aangelegenheid, je bent aan het meten. Het zijn schaduwen. Daarom doe ik mee aan dit experiment, ik wil kijken hoe het is om aan de andere kant te staan.”

Andres vertelt over de Amerikaanse schilder John Singer Sargent, die een vrouw had geschilderd, ze hoorde bij de beau-monde, en ze was door een detail herkenbaar. Ze was niet naakt, ze had een blote schouder. „Dat was een groot schandaal”, zegt Andres. „Het is het uitkleden of schaarse kleding die erotiseert. Volstrekt naakt doet dat niet of veel minder.”

„Laten we bij het begin beginnen”, zeg ik, „je geboorte.”

„Ik ben geboren in 1981 in Bolivia, in het stadje Yacuíba, vlakbij de Argentijnse grens. Het is een typisch grensstadje. Ik heb daar tot mijn dertiende geleefd. Ik kan me nog herinneren dat niet alle straten geplaveid waren. Ik kan me nog herinneren dat we een tv kregen. En een telefoon. Het is er aangenaam, maar saai. Er zijn groene heuvels.”

„Wat voor kind was je?”, vraag ik.

„Ik was een gelukkig kind, ik klom veel in bomen, we hadden een kat en een hond. Het was in die omgeving moeilijk om niet gelukkig te zijn. We waren een typisch Zuid-Amerikaans gezin. Alles draaide om het gezin. De wereld draaide om het gezin. Sta ik nog goed?”, vraagt Andres aan Jeroen.

Jeroen geeft aanwijzingen en dan vertelt Andres verder. Langzaam vergeet ik dat Andres naakt is en ik kleren aanheb.

„Op mijn dertiende verhuisde ik met mijn zus naar Sucre, een wat grotere stad”, vertelt Andres. „Ik dacht dat daar de school beter zou zijn. Mijn zus was achttien maar geen moederfiguur, we waren twee kinderen die alles zelf moesten uitzoeken. Op mijn negentiende vertelde ik mijn ouders dat ik homoseksueel was. We zaten voor de open haard. Iedereen moest huilen. Ik moest huilen. Mijn moeder moest huilen. Mijn vader. Hij zei dat hij trots op mij was. Verder was ik een gemiddelde tiener. Niet populair, niet impopulair. Ik keek graag films en las af en toe ook wel. Toen ik acht was heb ik De kleine prins gelezen bijvoorbeeld.”

„En wist je toen al dat je schilder wilde worden?”, vraag ik.

„Ik was voortdurend aan het tekenen, mijn vader deed dat ook. Ik had geen artistieke ambities, het was meer omdat ik het leuk vond. Ik had geen modellen, ik tekende mensen na die ik in tijdschriften tegenkwam.”

Het gesprek komt op een telescoop die Andres in huis heeft om ’s avonds de dakterrassen van de omliggende gebouwen te bekijken. Het gaat hem om het licht, de architectuur. „Maar soms zie je neukende stelletjes”, voegt hij eraan toe. „En in de kantoren hier omheen heb ik zeven telescopen zien staan. Dat vond ik raar, telescopen in kantoren.”

„In de lunchpauze bekijken de mensen elkaar”, opper ik. Al voeg ik er meteen aan toe: „Bekijken door een telescoop is een speciale vorm van bekijken.”

„Mensen zijn voyeurs”, zegt Andres. „Alleen al het feit dat wij anderen nodig hebben om te bestaan maakt ons tot voyeurs. Als wij geen voyeurs waren zouden wij onverschillig tegenover elkaar staan.”

„Laten we teruggaan naar Bolivia”, stel ik voor.

„Toen ik negentien was verkocht ik mijn eerste schilderij, dat was een belangrijk moment. Het was een engel met vleugels maar eigenlijk was het gewoon een gespierde, sexy man. Ik gebruikte schoensmeer om mee te verven. Ik kreeg er toen 200 boliviano’s voor, hoeveel dat toen in dollars was weet ik niet meer maar het was een substantieel bedrag. Ik sprak niet veel met mensen, hoewel ik wel sociale vaardigheden bezat. Het was gemakkelijker en comfortabeler om alleen met mijn eigen gedachten te zijn. In Sucre ging ik architectuur studeren. Het was een compromis. Ik dacht, architect is een echt beroep, maar het zit ook nog een beetje in de buurt van kunst. Ik weet niet of ik kunstenaar wilde worden. Ik wist dat ik iets anders wilde worden. Eigenlijk was ik best gelukkig.”

„En de liefde?”, informeer ik.

„In het jaar dat ik negentien werd, het was een belangrijk jaar, ontmoette ik mijn eerste vriendje. Hij kwam uit New York, was half-Puerto Ricaans en werkte als vrijwilliger bij het Peace Corps. Ik weet niet of ik echt heel veel van hem heb gehouden, misschien hield ik meer van het idee dat ik van hem hield. Alles was de eerste keer met hem. De eerste relatie, de eerste kus, de eerste seks, de eerste keer dat ik een man naakt zag. Mijn ouders en gezinsleden waren best preuts. Bolivia is zo preuts als Japan. Mijn ouders hebben hem ontmoet. We vierden Kerstmis samen. Het duurde tot mijn 20ste. Ik ging naar La Paz om daar verder te studeren. Ik wilde naar een grotere stad. In La Paz had je een gay bar. Ik werd een gay-activist en ik ontmoette mijn tweede vriendje. Hij was 26 jaar ouder dan ik en we wisten dat het problematisch kon worden. Daarom bekeken we het van dag tot dag. Hij was ook Amerikaan en werkte voor het Peace Corps, maar eigenlijk was hij een pottenbakker.”

Als je schildert vergeet je het model

„Zullen we hier even pauzeren?”, stel ik voor, „bij de pottenbakker die 26 jaar ouder was.”

Andres kleedt zich aan en bereidt een heerlijke lunch voor ons. Daarna gaan we verder in de woonkamer. Weer staat hij voor het raam. Ik zit op de bank.

„Ik heb nooit last gehad van het feit dat ik homo ben”, vertelt Andres. „La Paz is een tolerante stad of althans een plek waar confrontatie wordt vermeden. Mensen kunnen denken: ik vind homoseksualiteit walgelijk en vreselijk maar laten we het over iets anders hebben want ik vind het ongemakkelijk om mijn walging uit te spreken.”

„En de pottenbakker?”

„Ik wilde verder groeien. Ik wilde van het leven genieten op een andere manier dan hij. Hij wilde ontspannen en potten bakken. Ik kwam mijn huidige partner, Eran, in La Paz tegen. Hij was diplomaat op de Nederlandse ambassade. Het was geen liefde op het eerste gezicht. Ik geloof niet in liefde op het eerste gezicht.”

„Het schilderen, zullen we het nog even over het schilderen hebben?”

„In 2002 zag ik in de Tate in Londen Rothko en ik dacht, dat wil ik ook. Ik wil een Rothko in mijn woonkamer. Ik dacht, ik ga gewoon een Rothko maken. Eerst was ik bang voor de verf, maar schilderen gaat niet om de techniek, het gaat om de emoties.”

Jeroen: „Daar ben ik het helemaal mee eens.”

„Turner is ook heel belangrijk voor me geweest, zo prachtig depressief, de kleuren. Van Gogh maakte vrolijke kunst.”

Jeroen: „Welnee, wat zeg je nou.”

„Ik bied het model altijd aan om ook mijn kleren uit te trekken”, zeg ik. „De een wil dat wel, de ander niet.”

„Ik zou graag willen dat ik mijn kleren aantrek en jij jouw kleren uit, zodat ik gekleed naar jouw naaktheid kan kijken. Maar jij mag ook gewoon naakt naast me komen staan.”

Ik ga naakt naast hem zitten. Is het anders omdat hij een man is, vraag ik me af. Misschien is de behoefte fysiek intiem te worden minder, maar staand naast Andes voor het raam dringt het tot me door dat ik wil dat het model van me houdt, zonder überhaupt te weten of ik van het model wil of kan houden. En ik ben bereid ver te gaan om mijn verlangen werkelijkheid te laten worden. Het zijn niet altijd aangename dingen die je over jezelf ontdekt.

„Ik ben niet honderd procent comfortabel met mijn eigen lichaam”, zegt Andres. „Daarom deed ik mee.”

„Ben je competitief?”, vraag ik.

„Kunstenaar zijn is altijd ook competitief”, antwoordt hij. „Maar ik ben een goede verliezer. Ik noem mezelf eerder schilder dan kunstenaar. Mijn partner gelooft in mijn kunst. Hij neemt mijn kunst serieuzer dan ik. In Bolivia wordt er heel anders tegen kunstenaars aangekeken, als je daar zegt, ‘ik ben kunstenaar’, dan zeggen de mensen: ‘O, wat zielig dat je geen echte baan kon vinden’.”

„Kun je anders gaan staan?”, vraagt Jeroen. „Ik heb je billen nodig.”

Andres gaat anders staan. Hij weet wat de kunstenaar nodig heeft en geeft hem dat graag.

„Ik wil geen kinderen”, zegt Andres. „Dat heeft met de wereld te maken. Als ik kinderen zou willen zou ik ze adopteren. Er zijn genoeg kinderen die niemand wil.”

Als Jeroen klaar is draaien we ons om en kijken we nog even naar de stad, wetend dat we bekeken kunnen worden met een telescoop. Maar ja, mensen zijn nu eenmaal voyeurs.

„Eigenlijk is mijn leven best normaal”, zegt Andres naakt voor het raam.