Recensie

Scenarist die sneller schreef dan zijn schaduw

Ruimschoots figureren Lucky Luke en Asterix op de tentoonstelling ter gelegenheid van de 40ste sterfdag van stripscenarist René Goscinny.

Lucky Luke en Daltons op een tekeningen van Morris voor Goscinny’s La ballade des Daltons (1978). © Mediatoon

Een prachtig zwaar, donker eiken bureau met erop een klassieke Royal typemachine uit 1950. Dat is de eerste blikvanger van de expositie René Goscinny, Au-delà du rire in het Musée d’Art et d’Histoire du Judaïsme in Parijs. Uit de typemachine rolt virtueel de ene na de andere pagina, draaiend geprojecteerd op de wand achter het bureau.

In totaal zijn er 500 miljoen exemplaren verkocht, lezen we: 200 miljoen exemplaren van Lucky Luke, 320 miljoen van Asterix, 15 miljoen van Le petit Nicolas. Vertalingen in 150 talen. Het zijn cijfers die je doen duizelen.

Het bureau met de typemachine staat in een ruimte met tientallen foto’s van voorouders van de man die er ooit achter zat. Het waren Joodse immigranten, we zien ze in zwart-wit, half vervaagd, ze glimlachen in de lens, op hun paasbest gekleed, vaak en famille. De expositie legt de nadruk op dat contrast: heeft iemand zich ooit gerealiseerd dat de schepper van Oumpah-Pah, van Idefix en van het roemruchte tijdschrift Pilote, van Joodse afkomst was, een product van de Joodse diaspora?

René Goscinny aan zijn werktafel. Foto Anne Goscinny

Vader Stanislas Goscinny, zoon van een Oekraïense drukker, zelf scheikundige geboren in Kiev, vertrok in 1906 naar Parijs. Daar trouwde hij met Anna Beresniak, die een jaar eerder met haar ouders en acht broers en zussen uit Oekraïne in Parijs was aangekomen. Haar ouders hadden een passie voor het boek en begonnen een drukkerij. In het Jiddisch, Hebreeuws, Frans, Russisch en Pools drukken ze literaire, filosofische maar ook politieke teksten.

René wordt geboren in 1926 en is de tweede zoon van Stanislas en Anna. Stanislas krijgt een baan bij de Jewish Colonization Association in Buenos Aires, het gezin verhuist naar Argentinië. René gaat naar het Collège français en krijgt les in het Spaans en het Frans.

Op de expositie hangt een gekalligrafeerde ‘deuxième prix d’excellence’ uit 1937. Het heeft iets ontroerends, want een paar jaar later maakt hij al tekeningen ‘contre le nazisme’, meesterlijke portretten van de groten van het wereldtoneel van toen: een bolwangige Churchill, een dreigend besnorde Stalin.

Als zijn vader sterft, breekt een periode van armoede aan. Zijn moeder vindt werk als secretaresse, René wordt boekhouder en gaat daarna aan de slag bij een reclamebureau.

Een brief aan The New Yorker van 18 september 1948: „Ik heb u recent vijf tekeningen gestuurd, maar nog niets van u gehoord!” Ernaast hangt zijn cv. Het rijtje ‘travels’ is lang, dat van zijn ‘business experience’ kort. Het vermeldt de illustratie van een roman van Honoré de Balzac, La fille aux yeux d’or. De roman bestaat niet, het is een unicum, een fake, speciaal gedrukt door zijn oom om Amerikaanse uitgevers te laten zien dat René in Frankrijk iets voorstelt. Het werkt, René krijgt een eerste opdracht voor een kinderboek.

Tekening van Jean-Jacques Sempé voor Goscinny’s Le Petit Nicolas (2009). IMAV éditions /Goscinny – Sempé

Wie een fan is van Lucky Luke en Asterix kan op de tentoonstelling zijn hart ophalen, er hangen wanden vol originelen van het tijdschrift Pilote, van kranten en tijdschriften waarin strips en karikaturen op basis van Goscinny’s scenario’s verschenen. Een zaal toont zijn samenwerking met de Vlaamse striptekenaar Morris (Lucky Luke), een andere met Albert Uderzo (Asterix), een volgende met Jean-Jacques Sempé (Le petit Nicolas).

Een korte animatiefilm van Vincent Barrot - met poppen die het uiterlijk hebben van grote tijdgenoten - laat in hoog tempo een aantal uitspraken over Goscinny voorbij komen. Voor de een was Goscinny „een clown in de traditie van het beste wat het burlesque te bieden heeft”. Voor een volgende symboliseert Goscinny: „verzet, nog steeds en altijd”. Een ander vindt hem „een genie op het gebied van jeugdsentiment”, dan wel „een scenarist die sneller schreef dan zijn schaduw”.

Vlak voor je de tentoonstelling verlaat kun je opnieuw een koptelefoon opzetten. Terwijl je kijkt naar een manshoge Lucky Luke met zijn witte paard luister je naar de donker melancholieke stem van Pat Woods: ‘I’m a poor, lonesome cowboy’. Het is dat beeld en die ene zin die je met je meedraagt als je de expositie weer verlaat.