Column

Een film waarvan je wilt dat kijkers er toevallig op stuiten

Zap

Defending Brother No.2 is een rijke documentaire over de Nederlandse advocaten die de tweede man van de Rode Khmer verdedigden voor het Cambodja-tribunaal.

Advocaat Victor Koppe met Nuon Chea in ‘Defending Brother No. 2’ (VPRO)

Zo ziet een monster er dus uit. Bejaard en stoïcijns, achterover op een celbed met een kolossale zonnebril op het hoofd. Nuon Chea (1927) was de tweede man van de Rode Khmer: het regime van Pol Pot dat in vier jaar tijd (van 1975 tot 1979) 1,7 miljoen Cambodjanen over de kling joeg.

Zou er een levende man zijn met méér bloed aan zijn handen? Hoe dan ook is hij een man bij wie je liever uit de buurt zou blijven. Maar twee Nederlandse advocaten bezoeken hem in zijn cel. Een van hen zal later zelfs een Boeddhabeeldje voor hem kopen. Verjaardagscadeautje. „Voor een oude vriend”, zegt hij er dan bij in de winkel.

Defending Brother No.2 (VPRO) is de rijke documentaire die Jorien van Nes maakte over de twee Nederlandse advocaten die Nuon Chea verdedigden voor het Cambodja-tribunaal. Het is een film over veel. Over het disfunctioneren van dat tribunaal, over uiteenlopende juridische tactieken, over de genocide in Cambodja, over het verdedigen van massamoordenaars, over moraal en over eenzaamheid.

Misschien is die veelheid de reden dat Defending Brother No.2 op de late dinsdagavond werd weggeparkeerd, maar zonde is het wel. Dit is precies het soort film waarvan je wilt dat kijkers er ook toevallig op stuiten. (Over het nog hartelozere uitzendtijdstip, tien voor twaalf, van de fijne eindexamenfilm De nieuwe man van Arjen Sinninghe zullen we het helemaal niet hebben.)

Van Nes filmde Michiel Pestman en Victor Koppe gedurende vijf jaar proces tegen Nuon Chea. Pestman hield het een jaar vol in Cambodja. Het tribunaal blijkt een gedrocht. Het is een VN-instelling, maar een waarop de Cambodjaanse overheid veel invloed bedong. De wens van de Cambodjanen is eenvoudig. Nuon Chea veroordeeld krijgen, zonder dat het proces een van de huidige machthebbers ‘besmet’ – onder hen bevinden zich veel oud-leden van de Khmer. Nadat Pestman eindeloos en luidkeels heeft geklaagd over de oneerlijkheid van de rechtbank, besluit hij dat hij geen schaamlap meer wil zijn en vertrekt.

Koppe heeft een heel andere insteek: hij voegt zich naar de mores van de rechtbank en bijt zich vast in de zaak. Vier jaar lang verblijft hij in Cambodja: eerst vrolijk met zijn Roemeense echtgenote in de expatgemeenschap, na zijn scheiding met twee honden en een stapel boeken in een groot huis waar ook een Cambodjaans gezin woont dat hem verzorgt. Zijn huis in Amsterdam heeft hij verkocht. „Misschien ben ik hier wel de rest van mijn leven mee bezig”, zegt hij. In eenzaamheid, want steeds minder mensen willen zijn verhaal nog horen.

Je zou Koppe sympathiek willen vinden om zijn doorzettingsvermogen in naam van het internationaal recht, maar daar fietst de inhoud van zijn werk steeds doorheen. Want hoe verdedig je de nummer twee van een vreselijk regime? Door onophoudelijk twijfel te zaaien over alle details. Zaten daar nou 5.000 of 10.000 gevangenen? In de rechtszaal zet hij een getuige klem die beweert gezien te hebben hoe zijn vader werd onthoofd. Uiteindelijk moet de man toegeven dat hem was verteld over de executie. Daarna moest hij het hoofd en de sarong van zijn vader bij elkaar zoeken.

Twijfel zaaien, dat is de taak van de verdediging. Maar prettig om te zien is het niet, weet ook Koppe: „Voor je het weet word je een soort holocaust-ontkenner-achtige figuur.” Precies die term was mij ook al door het hoofd geschoten. De tragiek van Koppe is dat hij ziet wat hij doet en dat hij dat zo durft te benoemen. En dan toch weer verder gaat.