Column

Borg kreeg nooit spijt

John McEnroe wordt vaak een fascinerender tennisser gevonden dan Björn Borg. Dit vanwege zijn extreme gedrag op de baan, uitmondend in bizarre scheldpartijen tegen de umpire en vernieling van allerlei attributen. Borg was de tegenpool met zijn zwijgende, ogenschijnlijk emotieloze houding.

Dit contrast is het fundament onder de speelfilm Borg/McEnroe van de Deense regisseur Janus Metz. Hij wilde de wording van een „prachtige vriendschap” tussen twee rivalen tonen. Daar slaagt hij maar ten dele in, omdat hij zo weinig over het persoonlijke verleden van zijn twee hoofdfiguren vertelt. De film overtuigt meer als inkijk in de koortsachtige sfeer van het toptennis, waar onder immense druk moet worden gepresteerd.

Borg heeft mij altijd meer geïntrigeerd dan McEnroe, juist omdat hij zo in zichzelf gekeerd was. Ik heb hem als verslaggever meegemaakt toen hij in de jaren zeventig een snel rijzende ster was. Hij was 17 jaar en de meisjes liepen al gillend achter hem aan, iets wat op het toen nog deftige Wimbledon nooit eerder vertoond was. Op persconferenties was hij beleefd, maar afstandelijk – een moeilijk te doorgronden man.

Ook zijn beslissing om al op 26-jarige leeftijd te stoppen, was raadselachtig. In het boek Björn Borg en Wimbledon zegt hij tegen de schrijver, Sune Sylvén: „Ik heb nooit spijt gehad. Ik had er doodeenvoudig geen plezier meer in. Het was niet langer leuk om te trainen, mijn motivatie werd steeds minder.”

Zijn eerste vrouw, de Roemeense Mariana Simionescu met wie hij vier jaar getrouwd was, vertelde later dat hij „erg lief en verlegen” was en zó kapot kon zijn na een nederlaag dat hij drie dagen niet sprak. Niettemin was en bleef ze dol op hem; ze leeft met haar moeder in Monaco in een huis waar het vergeven is van de foto’s met Borg. „Ik weet niet of ik zijn ware liefde was, maar hij was het wel van mij.”

Op onze veilige tribune onderschatten wij vaak de spanningen waaraan topsporters blootstaan. McEnroe gaf lucht aan zijn gemoed, Borg kropte kennelijk alles op tot er iets in hem knapte. Hij verloor enkele cruciale finales van McEnroe (Wimbledon 1981, US Open 1981) en kapte ermee. De film gaat vooral over de periode kort daarvoor, met name de Wimbledon-finale van 1980, toen hij McEnroe nog wél aankon, al was het met veel moeite.

Mijn verklaring voor zijn vroege afscheid is dat hij met zijn 17 jaar te jong was toen het grote succes hem overviel. Zijn talent ging met hem op de loop. Hij klopte befaamde, veel oudere kampioenen en er werd steeds meer van hem verwacht. Tegelijk wilde hij ook van zijn jonge jaren genieten – hij zocht na wedstrijden graag het uitgaansleven op – maar dat viel moeilijk met topsport te combineren.

Borg heeft goedkeurend over de film gesproken, McEnroe moest er niet veel van hebben – er waren te veel verzonnen elementen, vond hij – maar hem verdenk ik ervan dat hij liever niet meer aan zijn wangedrag uit het verleden wil worden herinnerd.

Mij stoorde een ander aspect van deze film. Er wordt door de (voortreffelijke) acteurs en dankzij de trucage getennist met de kracht en de snelheid van tegenwoordig. Laatst zag ik beelden van de échte finale uit 1980. Het was tam tennis. Niet bam-bam, maar plok-plok.