Recensie

Basquiat was zijn tijd ver vooruit

Expositie

Op een tentoonstelling in Londen is te zien dat Jean-Michel Basquiat een voorloper in de multi-etnische kunst was.

Untitled , 1982. © The Estate of Jean-Michel Basquiat. Licensed by Artestar, New York.

Popmuzikanten die bij de 27 club horen zijn voor altijd jong, hip én klassiek: Brian Jones, Jimi Hendrix, Jim Morrison, Janis Joplin, Kurt Cobain en Amy Winehouse overleden op hun 27ste maar blijven onvergetelijk. Ineens, lopend over de grote Jean-Michel Basquiat-tentoonstelling in de Barbican in Londen, besef ik dat hij perfect bij die club past. Dat komt niet alleen door zijn leeftijd op het moment van overlijden, maar vooral doordat hij in zowel zijn werk als zijn carrière de trekken heeft van een rocklegende.

Basquiat was jong, zag er goed uit, bezat een aanstekelijke mengeling van charme en verlegenheid en zijn carrière was, zeker voor een beeldend kunstenaar, héél hip. Hij begon in 1977, op zijn 17de, als graffitikunstenaar samen met zijn vriend Al Diaz, onder het pseudoniem SAMO. Ze vielen op: ze spoten de muren niet vol met grote, veelkleurige schilderingen, maar met sobere, filosofisch getinte teksten.

Basquiat trad op in the Mudd Club, de groezelige equivalent van Studio 54, raakte bevriend met Keith Haring en verschillende rappers en op zijn twintigste werden zijn schilderijen opgenomen in de expositie New York/New Wave, een ‘showcase’ van nieuw talent uit New York. Hij werd er meteen opgemerkt en raakte al snel bevriend met Andy Warhol.

Basquiat was regelmatig depressief, vaak alleen, verslaafd aan heroïne en werd op zijn 25ste door The New York Times beschreven als het product van een slimme marketingcampagne. Ondertussen was zijn werk zijn tijd ver vooruit: de uitbundige Basquiat-mix van graffiti, rap, jazz, Haïtiaanse, Puerto-Ricaanse, Afrikaanse en Amerikaanse schilderinvloeden is in zijn eigenzinnige multiculturaliteit een perfect voorbeeld voor alle kunstenaars die op dit moment proberen de grenzen van het white privilege te overstijgen.

Hij stierf op zijn 27ste aan een overdosis. Dit jaar bracht een van zijn Untitled-schilderijen uit 1982 op een veiling 110 miljoen dollar op. Jean-Michel Basquiat, kortom, wordt de nieuwe rockster van de moderne kunst. De nieuwe Van Gogh – als dat niet zo tegenstrijdig en ongemakkelijk zou klinken.

Toch is dat precies het idee waar Boom for Real in het Barbican om draait. Het is een bijzonder project, al is het maar omdat een museale expositie niet vaak evenveel aandacht besteedt aan het werk zelf als aan het leven van de kunstenaar, zijn bronnen en de cultuur waarin hij werkte. Die opzet is ongetwijfeld deels ontstaan uit praktische beperkingen: Basquiats werkt hangt over de hele wereld verspreid, in de meest prestigieuze collecties, en is tegenwoordig zo duur (een miljoen of vijf is geen uitzondering) dat een middelgroot museum als het Barbican een overzicht om verzekeringstechnische redenen niet meer op kan brengen. Veel Basquiat-klassiekers ontbreken dan ook, en toch is dat nauwelijks een bezwaar.

Want op een bijzondere manier doet deze expositie wél recht aan de complexiteit van zijn werk. En dat is extra mooi, omdat precies die inhoudelijke aandacht er bij Basquiat-de-popster onherroepelijk bij in dreigt te schieten (net als al jaren gebeurt bij Van Gogh) – het ís ook verleidelijk om Basquiat voor een groot publiek te ‘framen’ met het rijtje zwart-buitenstaander-graffiti-heroïne-Warhol.

Self Portrait, 1984.
© The Estate of Jean-Michel Basquiat. Licensed by Artestar, New York.
Rammelzee vs. K-Rob, cover.
© The Estate of Jean-Michel Basquiat. Licensed by Artestar, New York.
Self Portrait (1984), links en Rammelzee vs. K-Rob, cover, rechts.
© The Estate of Jean-Michel Basquiat. Licensed by Artestar, New York.

Boom for Real is in dat opzicht perfect dubbelzinnig: de rockster wordt intact gelaten, maar tegelijk wordt ook getoond dat Basquiats werk voor een belangrijk deel voortkwam uit een cultuur waar de westerse blanke mainstream-kunst nauwelijks een idee van had (en heeft): rap, graffiti, Haïti, Afrika. En dat hij óók was geïnteresseerd in Picasso, in de Beat Poets, semiotiek en alchemie – en dat allemaal in zijn werk stopte.

Wie deze Barbican-expositie heeft gezien beseft dat juist Basquiats dubbelzinnige houding ten opzichte van de klassieke westerse kunst een belangrijke manier kan worden waarop hij het imago van schilderende rockster kan overstijgen – en tegelijk dat zijn werk zo rijk is dat hij inhoudelijk nog heel lang meekan.

Maar eenvoudig is dat niet. Want op deze tentoonstelling komt er nog iets bij: het besef dat kunstenaars van het kaliber Basquiat tijdens hun leven heel vaak (deels) buitenstaanders waren – omdat ze anders zijn, zich anders voelen, andere dingen maken dan hun omgeving. Dat mechanisme herken je aanvankelijk maar half omdat Basquiat, zoals zoveel twintigers, gretig aansluiting probeert te vinden bij hippe generatiegenoten – en daar nog in slaagt ook. Als schrijver en essayist Glenn O’Brien in 1980 bijvoorbeeld een film gaat maken over de hippe New Yorkse kunstwereld, vraagt hij Basquiat als hoofdrolspeler. In de film, die pas een paar jaar geleden is uitgebracht, zien we Basquiat als de typische New Yorkse kunstenaarsbohemien: knap, getalenteerd, maar ook voortdurend met een verloren blik in zijn ogen, alsof hij wordt verteerd door verlangens die zich niet laten bevredigen. Basquiat: buitenlander, buitenstaander, kunstenaar, junk. Dat maakt zijn vriendschap met Warhol ook zo mooi tragisch: twee buitensporig getalenteerde buitenstaanders die elkaar voor even weten te vinden. Onmogelijk en toch waar.

King Zulu, 1986 © The Estate of Jean-Michel Basquiat. Licensed by Artestar, New York.

Tegelijk zie je het op grond van dit verhaal alweer aankomen: Basquiat als de nieuwe Vincent van Gogh. Maar is dat erg? Het klopt té mooi: het buitenstaanderschap, de eenzaamheid, de korte, zeer intense periode waarin hij werkte (bijna al zijn belangrijke werken werden in vijf jaar gemaakt), de zoektocht – zelfs Van Goghs vriendschap met Gauguin echoot perfect na in die tussen Warhol en Basquiat. Maar wat moeten we ermee? Wanneer krijgt een kunstenaar eigenlijk de aandacht die hij of zij verdient?

Die vraag maakt deze Basquiat-expositie extra fascinerend. Juist door minder te focussen op het werk en meer aandacht te geven aan zijn achtergrond, besef je als toeschouwer dat geschiedenis een grabbelton is waaruit naar willekeur wordt gegraven, geschapen, gestuurd – meestal over het hoofd van de betreffende kunstenaar heen. Hoe groter de grabbelton, hoe rijker de toekomst. Het mooie is tegelijk dat je voelt dat Basquiats reputatie, anders dan die van bijvoorbeeld Van Gogh, op dit moment nog net niet in beton is gegoten: Basquiat kan nog net deels uit het rockster-imago worden getrokken, door hem ook te tonen als de buitengewoon getalenteerde voorloper van de mondiale multi-etnische kunst die dezer dagen zo snel aan terrein wint.

Ik vind dat een mooi idee: dat Basquiat postuum, zonder dat zelf ooit zo te hebben gestuurd, zonder dat zijn tijdgenoten het beseften, op grond van een nieuwe combinatie van criteria kan uitgroeien tot een van de grootste kunstenaars van de tweede helft van de twintigste eeuw. Simpelweg omdat zijn werk zo goed is dat er telkens iets nieuws en rijks naar boven is te halen. Zoals bij alle grote kunst.