Waarom krijgt een mens niet overál kippenvel?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week: waarom heb je nooit kippenvel in je gezicht?

Foto iStock

Plotselinge kou, een spannende filmscène, een mooi muziekstuk – en hup, je armen en benen zitten onder de bultjes. Kippenvel noemen wij het, vanwege de associatie met een de bobbelige huid van een geplukte kip. Elders denken mensen eerder aan een geplukte gans: Engelstaligen hebben het over goosebumps, Duitsers over Gänsehaut. En schertsend kun je het in het Nederlands ook wel hebben over mierentietjes. Wetenschappers, ten slotte, praten over ‘pilo-erectie’.

„Kippenvel is het zichtbare gevolg van het samentrekken van de musculus arrector pili”, vertelt Marcel Bekkenk, dermatoloog van het AMC in Amsterdam. Van de ‘haar-oprichtspier’ dus. „Alle zoogdieren hebben zo’n spiertje aan elke haarwortel.” We spannen die spiertjes niet bewust aan om ons haar rechtop te zetten. Het is een automatische reactie op een stressfactor zoals kou, angst of een andere emotie, onder invloed van adrenaline. Bekkenk: „Op sommige plekken op het lichaam zie je dat samentrekken van die spiertjes als duidelijke bultjes.” Maar niet overal. We hebben geen kippenvel op ons gezicht, en zelfs niet in onze nek, ook al gaat ons ‘nekhaar overeind staan’. Maar waarom eigenlijk niet? Die adrenaline stroomt toch door ons hele lichaam, en ook in gezicht en nek hebben we toch haartjes?

„Dat klopt”, zegt Bekkenk. „Haartjes zitten overal, behalve op handpalmen en voetzolen. Sommige haren zijn langer en dikker en dus zichtbaarder, zoals hoofdhaar en schaamhaar. Maar bij die langere, dikkere haren is het spiertje niet sterk genoeg om de haar duidelijk op te richten.”

Geen kippenvel op het hoofd dus, of onder de oksels. En ook niet in de baard, hoewel sommige mannen daar wel een tintelende sensatie voelen als het spannend wordt.

Maar hoe zit het met de rest van het gezicht? Die is bedekt met piepkleine, fluweelzachte haartjes. „Ook die hebben elk een spiertje”, zegt Bekkenk. „Het verschil zit hem in de afstand tussen de haarzakjes onderling. Die is in het gezicht zo klein dat de spiersamentrekkingen geen losse bultjes veroorzaken.”

Ooit in ons evolutionaire verleden was het oprichten van haren nuttig. Een vacht met rechtopstaande haren houdt meer isolerende lucht vast. Bij hamsters en muizen, en ook bij kleine zangvogeltjes, is het effect daarvan duidelijk te zien: die lijken boller en groter in de kou. Veel dieren, zoals honden en katten, zetten hun haren ook wel overeind om te intimideren, als ze bang of agressief zijn. „Het meest indrukwekkend is dat bij het stekelvarken”, merkt Bekkenk op. „Dat heeft stekels waar eerst haren waren.” De haarspiertjes van het stekelvarken zijn sterk genoeg om zijn dertigduizend stekels, waarvan sommige zo lang en zo dik zijn als een flinke breinaald, razendsnel rechtop te zetten als het dier zich bedreigd voelt.

Ook onze naaste verwanten, de primaten, zetten hun haren rechtop bij koude of als ze indruk willen maken. Maar net als bij ons hoofd- en baardhaar leidt dat niet tot kippenvel. Want daarvoor moet je, kortom, haartjes hebben van precies de goede grootte en precies de goede onderlinge afstand.

Kippenvel is voor ons nu niet meer nuttig, aldus Bekkenk. Het is hooguit vermakelijk – zeker in de vergelijkende taalkunde.