Column

De lofzang op het gewone toont verlangen naar orde

Voor me op tafel ligt een tweetalig boek dat Vrouwen in bomen heet. Frauen auf Baümen. Women in Trees. Er staan alleen maar foto’s in van vrouwen in bomen. Volgens het voorwoord is dat meteen ook de kracht van de titel. „Je kunt het wenden of keren zoals je wilt, maar Vrouwen in bomen is gewoon een verdraaid goede titel voor een fotoboek waarin precies dat te zien is, vrouwen in bomen dus, en alleen dat.”

Als lezer geef je je al snel gewonnen. Een enkele foto van een vrouw in een boom mag best haar charme hebben, maar de kracht van dit boek zit ontegenzeggelijk in de herhaling. Uitgever Jochen Raiss vond op een vlooienmarkt eerst één foto, die hem opvrolijkte en amuseerde, en vervolgens trok hij langs rommelzolders op zoek naar meer. En gelijk had hij. Hoe meer vrouwen in bomen hoe beter.

Hier hadden we het bij kunnen laten, uitgever, schrijver en ik, maar mensen zijn lastige wezens: nauwelijks hebben ze vastgesteld dat Vrouwen in bomen een verdraaid goede titel is of ze komen alweer met vragen. Zo ken ik zelf bijvoorbeeld een serieuze geleerde die elk boek juist pardoes in de prullenbak gooit zodra erin staat wat er ook op staat. „Doet wat de verpakking belooft”, zegt ze dan. Duidelijk een diepe teleurstelling voor wie hoopt dat dit leven nog een verrassing in petto heeft. Hoezo een verdraaid goede titel?

Johanna Adorján, de schrijver van het voorwoord, heeft zo haar eigen vragen. Bij het zien van de foto’s wil ze meer van de zaak weten. „Wat dreef al die vrouwen die bomen in?” Wat zit daarachter? Hier komen al gauw sociologische verklaringen bovendrijven, de rol van de fotograferende minnaars en de volle hevigheid van de liefde die vrouwen zo gek krijgt naar boven te klimmen, terwijl ze natuurlijk nooit meer zonder kleerscheuren beneden komen.

De fotoverzameling, zou je kunnen zeggen, heeft zowel de aantrekkingskracht als de beklemming van het gewone. Aan de ene kant is het geruststellend te zien dat vrouwen allemaal precies hetzelfde gedrag vertonen. Zoals het ook geruststellend is de fotoserie Exactitudes van Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek te bekijken en te constateren dat mensen allemaal dezelfde haardracht hebben en dezelfde kleding dragen. Maar al die regelmaat en herhaling, die gewoonheid, heeft aan de andere kant ook iets mals. Een vrouw zou minder uitdagend in een boom gaan zitten als ze zich realiseerde dat honderd meter verderop ook een vrouw in een boom zat.

Eerder dit jaar liet modeontwerper Demna Gvasalia zich voor de wintercollectie van zijn succesvolle label Vetements inspireren door de gelijkenisfoto’s van Versluis en Uyttenbroek. Daarmee nam hij het gedrag van gewone mensen tot uitgangspunt en volgens fotograaf Versluis zette Gvasalia zo het vaste uitgangspunt van de mode, de exclusiviteit, op zijn kop. „Hij stelt het individualisme aan de kaak.” Maar ja, mode heet natuurlijk alleen maar mode als iedereen hetzelfde doet, zodat exclusiviteit als uitgangspunt van mode al paradoxaal genoeg is van zichzelf.

Waarom weet ik niet, maar dezer dagen zingt opeens iedereen in politiek en pers de lof van het gewone. Overal kun je glimpen ervan opvangen. Het Parool toonde dit weekend een fotoserie van afgedankte matrassen. Het is in Amsterdam heel gewoon om je matras op straat te leggen en Miguel Narings plaatst iedere dag een foto van zo’n matras online. Het begon, hoe kan het ook anders, met één foto. Maar Narings realiseerde zich meteen dat de kracht in de herhaling en de regelmaat zat. „Een foto is een kiekje, maar een hele serie: dan wordt het bijna kunst.”

Iedereen is hetzelfde, doet hetzelfde, draagt hetzelfde, en die normaliteit komt tegemoet aan ons verlangen naar orde. Regelmaat. Bijna kunst. Eén foto is een kiekje, een fotoserie is de mensheid. Natuurlijk probeert elk individu vervolgens verwoed zich van die mensheid te onderscheiden. Zo ben ik zelf bezig een fotoverzameling aan te leggen van titels die verrassend in strijd zijn met de inhoud. Een pak maiskolven met de sticker van een watermeloen erop. Een begraafplaats met het bordje ‘kinderspeelplaats’. Een officiële ingang met daarop het bordje ‘geen ingang’. Van die serie zou je ook een boekje kunnen maken, en dat zou een grappig boekje zijn, maar het zou wel de geruststellende werking ontberen van het boekje Vrouwen in bomen.

Het is, kortom, heel normaal dat vrouwen in bomen zitten en die norm heeft haar bekoring. Zo’n norm wordt pas vervelend als we gedrag ermee gaan voorschrijven en vrouwen verplichten tegen hun wil in bomen te gaan zitten. Maar van zulke dwang geeft Vrouwen in bomen geen blijk en al met al is het inderdaad gewoon een verdraaid goede titel.

Maxim Februari is columnist en jurist