Interview

Twee studies tegelijk én een promotie, hoe doe je dat?

Chinar Rahmattulla

Afstuderen in twee studies en tegelijk ook nog eens promoveren. Een kwestie van goed plannen, zegt Chinar Rahmattulla.

Chinar Rahmattulla: „Mijn ouders wilden naar Frankrijk, maar de mensensmokkelaar liet ons achter op Schiphol.” Foto Andreas Terlaak

Chinar Rahmattulla (27) is net summa cum laude afgestudeerd in de geneeskunde en zal over een paar maanden ook afstuderen in de biomedische wetenschappen, aan de Universiteit Leiden. Meteen daarna promoveert ze op haar onderzoek naar de behandeling van ANCA-geassocieerde vasculitis. Dat is een ontsteking van de kleine bloedvaten, een zeldzame auto-immuunziekte waar zonder behandeling 90 procent van de patiënten binnen een jaar aan overlijdt.

Ze is geboren in Kirkuk, Noord-Irak en woonde als klein kind in Lyon, Metz en Nancy, in Frankrijk. Op haar zesde verhuisde ze met haar vader (wiskundige) en moeder (scheikundige) naar Benghazi, Libië. Ze sprak al Turks (de familie is Turkmeens), en Frans en Arabisch kwamen er toen nog bij. „De school daar”, zegt ze. „Je had een systeem van de eerste en de tweede van de klas, en zo verder, en ik dacht: aan het eind van het schooljaar wil ik de beste zijn.” En dat werd ze ook. Elke middag had ze met haar moeder op het balkonnetje van hun flat zitten oefenen.

Mensensmokkelaar

We drinken thee in een lunchroom bij Den Haag Centraal; ze heeft een weekje vrijgenomen. Haar Nederlands, de vierde taal die ze leerde, is perfect. „Ik was negen toen we hier kwamen”, zegt ze. „We woonden weer in Kirkuk en we moesten vluchten omdat mijn vader dingen had gezegd die niet konden. Mijn ouders wilden naar Frankrijk, maar de mensensmokkelaar liet ons achter op Schiphol.”

Haar vader, die in Frankrijk en Irak aan de universiteit werkte, is nu leraar wiskunde op een middelbare school. Haar moeder liet zich omscholen tot apothekersassistente. Chinar ging na de lagere school naar het gymnasium. Ze deed twee profielen tegelijk, natuur & techniek en natuur & gezondheid. In haar eindexamenjaar nam haar leraar natuurkunde haar apart en zei dat hij nog nooit een leerling zoals zij had meegemaakt. Hij wilde bijdragen aan haar toekomst en stortte 5.000 euro op de rekening van haar moeder.

Ze begon met geneeskunde. „Maar geneeskunde”, zegt ze, „is op een bepaalde manier oppervlakkig. Je leert hoe een ziekte zich presenteert en hoe je die behandelt, niet hoe die ontstaat. Maar waaróm dan, dacht ik steeds. Waaróm?” Zo kwamen de biomedische wetenschappen erbij. In haar tweede jaar begon ze aan een MD/PhD-traject voor excellente studenten. „Ik had college gehad van Ingeborg Bajema, ze is immunopatholoog, en dat was zo geweldig, ze was zo gepassioneerd dat ik na afloop heb gevraagd of ik bij haar onderzoek mocht gaan doen.” Ingeborg Bajema is nu haar co-promotor, haar promotor is Jan Anthonie Bruijn, hoogleraar immunopathologie. Hij is ook Eerste Kamerlid voor de VVD.

Wat bij haar meespeelde: dat het onderzoek naar ANCA-geassocieerde vasculitis zeer internationaal is. En dat haar co-promotor er een belangrijke rol in heeft. „Ingeborg doet mee met de big guys en dat” – ze lacht verontschuldigend – „wil ik ook”. De afgelopen jaren heeft ze al op zeventien congressen een presentatie gegeven, de laatste keer in Tokio. Door de zeldzaamheid, zegt ze, is vasculitis lastig te ontdekken. De meeste patiënten zien vier artsen voordat de juiste diagnose is gesteld. Het begint vaak met een verkoudheid die niet overgaat, pijn in de gewrichten, vermoeidheid, algehele malaise – zoals zoveel ziekten dus. De vorm die zij bestudeert is te herkennen aan een bepaald soort antilichamen in het bloed, de antineutrofiele cytoplasma antilichamen. De binnenkant van de kleine bloedvaten is ontstoken, vaak in het hele lichaam, soms alleen in de nieren, of de longen, de huid, de ogen, de gewrichten. Zonder behandeling vallen organen uit en dat leidt tot een vrijwel zekere dood. Maar de behandeling, vooral met cyclofosfamide, een stof die het afweersysteem onderdrukt, is enorm schadelijk. Patiënten kunnen er blaaskanker van krijgen, leukemie, huidkanker. Chinar heeft onderzocht of een ander middel, rituximab, mogelijk minder schadelijke bijwerkingen geeft. Dat lijkt, zegt ze, inderdaad zo te zijn. Ze heeft er een half jaar voor in Cambridge gezeten. Haar vijfde taal is, hoe kan het anders, Engels.

Zat ze alleen in het laboratorium of zag ze ook patiënten met vasculitis? „Ook wel patiënten”, zegt ze. „Ik ben actief geworden in de patiëntenvereniging, de Vasculitis Stichting. Wat me opvalt” – weer dat verontschuldigende lachje – „is dat ze daar met heel andere vragen zitten dan ik. Je geeft een presentatie over je resultaten, een uur lang, en je denkt: okay, shoot, ik ben er klaar voor. En dan staat er iemand op en die zegt: ik ben zo moe, hoe komt dat? Ja, hoe kómt dat?” Haar stem schiet omhoog. „Ik wéét het niet.” Ze zag natuurlijk ook patiënten tijdens haar coschappen. Als daar een enkele keer iemand bij was die misschien wel vasculitis had overviel haar datzelfde gevoel van wanhoop. Wat wéét je nou als beginnend arts, als mens. Dat níét weten, zegt ze, is wat haar drijft.

Hoe heeft ze dat gedaan, twee studies en een promotie? „Goed plannen, met Excel-sheets. Zo ziet het jaar eruit, deze vakken ga ik volgen en de rest van de tijd besteed ik aan onderzoek.” Tot twaalf uur ’s nachts in de bibliotheek zitten en thuis nog een paar uur door. Haar moeder kan dat ook, zegt ze. „Toen ze Nederlands aan het leren was – als ik dan ’s avonds even uit bed kwam, zag ik haar altijd in de boeken zitten.”

Arts in de tropen

Na haar promotie wil ze een half jaar gaan reizen, Australië, Indonesië, India, Jordanië, Israël. Alleen? „Ja, alleen, het zal me leren om op eigen benen te staan.” Het andere plan is Tanzania, ze zou daar kunnen werken bij de zus van een kinderarts bij wie ze een coschap heeft gedaan. „Lijkt me ook geweldig, arts zijn in de tropen.”

En als ze weer terug is? „Daar denk ik nog over na. Kindergeneeskunde, cardiologie, interne geneeskunde of pathologie.” Geen snijdend specialisme? „Nee, ik ben geen snijder. Dat vraagt een manier van doen en denken die niet de mijne is. Ja of nee, nu beslissen. Ik ben theoretischer.”

En dan heeft ze nog een heel andere ambitie: de politiek. Minister van Volksgezondheid, op den duur? „Waarom niet.” Hoogleraar en Kamerlid zijn, zoals haar promotor, dat lijkt haar ook wel wat.

Wat ze het lastigst heeft gevonden de afgelopen jaren? Schitteren op een groot congres en daarna gewoon weer terug in de collegebanken. Zich losmaken van thuis. Na Cambridge, ze was 25, wilde ze op zichzelf gaan wonen. „Een shock voor mijn ouders. Ten eerste waren we altijd met z’n drieën geweest en ten tweede past zoiets niet in onze cultuur.” En toen? „Mijn vader zei: neem drie maanden om erover na te denken en als je het dan nog steeds wilt, steunen we je.”