Column

Nummer 46

We gingen het nieuwe huis in het dorp inspecteren, het zag er oud uit. We hadden alvast wat dozen meegenomen, die we in het schuurtje zetten. Eigenlijk pasten al onze spullen in dat schuurtje. De achterdeur van het huis was kromgetrokken en ging niet open. Het duurde een half uur voor we erachter kwamen dat je er heel hard tegenaan moest duwen als je de sleutel omdraaide.

De schilders waren geweest. Op het aanrecht stond een thermoskan en lagen voedselresten. Ze hielden van chocoladerepen en speculaas en hadden de vloer afgeplakt met plastic. Nog niets geverfd, wel naar de wc geweest, constateerde ik in de badkamer.

De tuin was vierkant. „Je moet het gras maaien”, zei de schoonmoeder die mee was. „Dat is belangrijk.” Een leven waarin grasmaaien belangrijk was, klonk als een ander leven. De heg moest ook gesnoeid, ik sloot niet uit dat ik auto wassen binnenkort ook belangrijk ging vinden. Vriendelijk kijken en zwaaien naar de andere mensen in het dorp had ik mezelf voorgenomen. Bij de slager en de bakker wisten ze al in welk huis we gingen wonen.

In de tuin stond een boom met giftige besjes. Die mochten de dochters niet in hun mondjes stoppen. Ik stelde voor om die boom dan maar om te hakken. Bijna goed, het scheelde een letter. „Harken”, zei de vriendin, „niet hakken.”

Een eerste gesprek met een buurman, een man met een afritsbroek die in zijn tuin aan het wroeten was. Hij zei dat het herfst was.

„Ja”, zei ik, „en daarna alweer winter.”

Hij: „Herfst – bladeren – dakgoot.”

In Noord-Holland zijn ze graag duidelijk, dacht ik. Geen woord te veel als het niet hoeft.

Ik: „Ladder, schoonmaken?”

Hij knikte en ging weer wroeten in de aarde.

Zat er ook een ladder bij de inboedel? Geen ladder, geen hark, wel een grasmaaier. Gesprekken over gordijnen. Welke kleur combineerde het beste met wit? Na drie keer door het pand te zijn gelopen gingen we weer.

De plaatselijke Chinees zat verstopt naast het winkelcentrum. We waren de enige klanten. Het systeem was dat je bestelde en daarna een kartonnetje met een nummer kreeg.

Nummer 46.

Ik vond dat grappig, omdat we de enige klanten waren.

Gesprek met de Chinese eigenaar over het dorp. Er was weleens verwarring, dan kregen de mensen babi pangang in plaats van bami of andersom, maar verder geen problemen. Ze deden aan grote porties, want de mensen hadden er altijd honger, wat kwam omdat ze zo hard werkten.

Hij: „Altijd in de tuin werken.”

„Ja”, zei ik, „het wordt weer herfst. Grasmaaien, harken en blaadjes uit de dakgoot halen.”

Hij: „Ja, ja.”

Een van zijn assistentes zette twee plastic tasjes op de toonbank en begon ‘nummer 46’ naar ons te roepen. Ik was nog steeds de enige die dat grappig vond.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.