Column

Het wonderlijke ligt voorbij het zichtbare

We hebben ook een Chinese tuin in de Hortus, zegt de vrijwilliger die me rondleidt in de Hortus van Haren. Het is duidelijk dat hij trots is op de Ming-tuin. „Alles komt echt uit China”, zegt hij en we lopen over glibberige steentjes en kijken naar een theehuis met omhoogkrullende punten, allemaal echt Chinees. Het is druilerig weer, een waterval stort nog meer water naar beneden, ik zie een paar struiken die ik niet kan thuisbrengen. „Ja, mooi”, zeg ik vaag.

De volgende ochtend nevelt de zon nazomerig en ik loop weer door de Hortus die enorm groot is, twintig hectare, dwaal langs de sequoia’s en onder de vele soorten loofbomen en besluit opnieuw in de Mingtuin te kijken. Wonderlijke rust en stilte, vlekken zonlicht binnen de Chinese muren. Ik ga bij een paviljoentje zitten in een rieten stoeltje en voel me even een Chinese ambtenaar uit de negende eeuw – „Maar waarom, vraag ik de chrysanten, bloeien jullie/ Als enige nog in dit laat seizoen?/ Natuurlijk is dat niet vanwege mij - / Toch voel ik me door jullie opgemonterd.” (Bai Juyi , vert. W.L. Idema)

Er blijken karpers in verschillende tinten oranje door de vijver te zwemmen. De zon doet een rode esdoorn opvlammen en de wind laat de plompenbladeren in de vijver rondvaren als kleine Chinese jonkjes. Er is eigenlijk heel veel te zien.

Even denk ik aan Bach, verwerp de gedachte dan weer – Bach! In China! – besluit dan dat het minder ongerijmd is dan je zou denken, want dit is toch vooral nu en hier. En daar hoor ik ze al in gedachten, die twee violen uit het dubbelconcert voor viool die met elkaar praten, elkaar omarmen en troosten – ach je kunt eigenlijk helemaal niet zeggen wat ze doen.

Op de onvolprezen site All of Bach staat een nieuwe uitvoering ervan, door twee jonge Amerikaanse violisten, Shunske Sato en Emily Deans. „Het langzame deel!”, zegt Deans. „De mooiste acht minuten uit de muziekgeschiedenis!”

Ze zeggen dat het stuk zó bekend is dat ze zichzelf moesten dwingen om als het ware te vergeten dat ze het zo goed kenden. Sato vertelt dat hij ergens een klein Seufzermotiefje over het hoofd had gezien, maar het nu ineens wel zag en die maat dus nét iets anders speelde en Deans laat horen hoe ze op een barokviool de noten aanstrijkt, net anders dan op een moderne viool. Het is een klein en tegelijkertijd groot verschil.

Ik denk aan de oude vriend die ik ooit, op een cassettebandje, dit vioolconcert gaf. Hij was in moeilijkheden en ik wilde hem graag iets geven „tot troost diep in uw leven”, maar ik had niets, behalve dit.

Wie zich begeeft in deze nog-niet-eens-acht minuten is even heel ergens anders, niet in moeilijkheden, niet in een Chinese tuin. Die tuin doet trouwens net zoiets met de beschouwer. Pas na een poosje zie je wat je eerst niet zag: een blad dat wentelend naar beneden valt, je verstaat de muziek van de wind in de bladeren, het licht speelt op rotsen, de paviljoens roepen een wereld op. Ik zie alles, maar alsof ik het niet zelf ben die alles ziet. Zoals die musici de muziek worden; zoals ik hoopte dat mijn vriend zich zou voelen, voor even uit zichzelf en zijn situatie getild.

Een intense belevenis, maar op een foto zou alleen een stilstaande vijver met een Chinees paviljoen ergens in Groningen te zien zijn. Niemand zou zowel het waaien van de wind als die twee verliefde violen kunnen horen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Correctie (16 oktober 2017): de jonge Amerikaanse violiste heet Emily Deans, en niet Emily Deane, zoals hier eerder stond.