Het dilemma van de tbs-weigeraars

Anne Faber

De helft van alle verdachten weigert onderzoek naar psyche. Michael P. ontliep zo tbs-maatregel. Moet het systeem op de schop?

In Den Dolder werd dagenlang naar Anne Faber gezocht. Foto Eric Brinkhorst/ANP

Nemo tenetur, niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dat beginsel, verankerd in het Nederlandse strafrecht, leidt ertoe dat een verdachte een onderzoek naar zijn psyche mag weigeren. En dan komt er dus geen rapportage en zal de rechter niet gemakkelijk de verdachte alsnog een tbs-maatregel opleggen – een behandelmaatregel voor delinquenten met een psychiatrische ziekte of stoornis.

Ook Michael P. weigerde mee te werken aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum toen hij terechtstond voor twee verkrachtingen gepleegd in 2010. Hij kreeg geen terbeschikkingstelling (tbs) opgelegd maar – in hoger beroep – een celstraf van elf jaar. Had hij wél tbs gekregen, dan had Michael P. nu nog vast gezeten, daarvan is advocaat Richard Korver overtuigd. Dan was verlof veel moeilijker geweest – „zo’n aanvraag moet zelfs langs het ministerie” – en had de 25-jarige Anne Faber nu nog geleefd.

Korver pleit ervoor dat de rechter in bepaalde gevallen alsnog tbs oplegt als een verdachte zijn medewerking aan een rapportage weigert. Als de feiten en omstandigheden in een zaak schreeuwen om een uitleg en de verdachte weigert, dan moet de rechter daar „negatieve consequenties” aan verbinden, zegt hij namens Stichting Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zedenslachtoffers.

Terughoudende rechter

De rechter heeft ook de bevoegdheid om tbs op te leggen zonder rapportage, maar in de praktijk doet hij dat liever niet. De rechter is terughoudend want hij is er niet in geschoold en juridisch is het ook geen makkelijke weg. De rechter zal zonder oordeel van een deskundige een ernstige verdenking moeten hebben dat de verdachte een psychische stoornis heeft én dat die stoornis een relatie heeft met het delict – en daarover kunnen ook deskundigen eindeloos discussiëren.

Maar tbs opleggen kán en in het geval van Michael P. had de rechter dat ook moeten doen, zei emeritus hoogleraar forensische psychiatrie Hjalmar van Marle donderdag in Nieuwsuur. „De rechter had meer moeten vertrouwen op een onderbuikgevoel of zijn ervaring.”

„De gemiddelde rechter zal echt niet snel daarvoor kiezen,” reageert Harry Beintema, voorzitter TBS Nederland en directeur behandelzaken van de Groningse tbs-kliniek Van Mesdag. „De meeste rechters hebben weinig ervaring met tbs’ers.” Beintema ziet dat een grote groep gedetineerden baat zou hebben bij een tbs-behandeling – de recidive is de helft lager dan na alleen gevangenisstraf – maar noemt het uiteindelijk een politieke afweging. „Je zou ervoor kunnen kiezen sommige strafzaken alleen te laten behandelen door rechters die zijn gespecialiseerd in tbs.”

En daarmee is de discussie over het vrijblijvend karakter van de tbs-oplegging nu in alle hevigheid losgebarsten. „Maar we moeten ervoor waken dat die discussie zuiver wordt gevoerd”, zegt advocaat Jan Jesse Lieftink. Hij vindt het te makkelijk om na zo’n heftig incident te roepen dat de dader ‘tbs had moeten krijgen’. Zowel de rechtbank als het Hof heeft over Michael P. geoordeeld. „Dan getuigt het van weinig respect voor het recht als je zonder kennis van het dossier dat oordeel in twijfel trekt.”

Minder tbs-opleggingen

De discussie over tbs-weigeraars is een terugkerend debat. Na de millenniumwende was niet alleen het aantal tbs-opleggingen flink gestegen, maar ook het aantal weigeringen. In 1990 waren er nog achttien weigeraars in het Pieter Baan Centrum, sinds 2003 steeg dat aantal tot 250 in 2009. Dat is ongeveer de helft van alle verdachten die jaarlijks worden gevraagd om mee te werken. Het is er mede de oorzaak van dat ook het aantal tbs-opleggingen weer is gedaald.

Onderzoekers noemen als belangrijkste oorzaak het feit dat advocaten hun cliënten systematisch zijn gaan aanraden niet mee te werken aan de rapportages. Vanwege de opgelopen wachttijden en behandelduur kun je in een tbs-kliniek maar beter niet terecht komen, werd tegen cliënten gezegd. Je loopt er het risico te belanden op de ‘longstay’. En ook onder criminelen zelf heeft ‘tbs’ niet bepaald een populair imago.

De toename aan weigeringen plaatst rechters voor een dilemma: wat te doen met vermoedelijk geesteszieke verdachten? In sommige gevallen lukt het alsnog een redelijk volledige rapportage van een verdachte te krijgen, op basis van eerdere observaties of informatie uit het strafdossier. En in een enkel geval is de rechter zó overtuigd van een stoornis dat hij de verdachte ook zonder rapportage een tbs-maatregel oplegt. Eén derde van alle weigeraars krijgt op deze manier alsnog tbs opgelegd. Maar het merendeel van delinquenten met een vermoede psychiatrische stoornis belandt dus alsnog in een gevangenis en niet in een kliniek.

Zweedse model

Dat is onwenselijk, vindt de politiek. Al in 2013 schreef toenmalig staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) aan de Kamer dat het „ontoelaatbaar” is dat aan weigeraars zo moeilijk tbs kan worden opgelegd. Hij liet de wenselijkheid van alternatieve modellen onderzoeken, waaronder het Zweedse. Daar speelt het probleem niet omdat de rechter bij de strafbepaling kiest tussen een kliniek en een gevangenis en de delinquent in beide even lang zal zitten – en dus geen angst heeft voor behandeling zonder eind. Maar ook op dat model is in de Zweedse samenleving kritiek, want daders van ernstige delicten lopen na een paar jaar weer vrij rond.

Liever wilde Teeven de mogelijkheden voor tbs-oplegging verruimen met een wetsvoorstel dat de verstrekking van persoonsgegevens over de geestelijke gezondheid van een verdachte ook zónder diens toestemming mogelijk maakt. Maar dat voorstel wacht al sinds 2014 op behandeling in de Eerste Kamer. Het voorstel ligt gevoelig, omdat psychiaters en andere ggz-medewerkers hiermee hun beroepsgeheim opgeven. Een recept ooit voorgeschreven voor een psychose zou dan zomaar kunnen terugkeren in het strafdossier.

Het Pieter Baan Centrum heeft sinds kort een eigen ‘weigerafdeling’ waar op therapeutische basis psychiaters en psychologen proberen een verdachte toch aan het praten te krijgen. Weigeren is daar niet zo makkelijk meer, merkt advocaat Lieftink. „Ze proberen een prettige sfeer voor de verdachte te creëren zodat die gaat praten. Probeer dan maar eens zeven weken lang je mond te houden. Ik heb cliënten die er naderhand volkomen doorheen zaten.”

Het alternatief? Een gevangenisstraf opleggen en in een later stadium de gedetineerde alsnog naar een psychiatrische kliniek verwijzen, zoals gebeurde met verdachte Michael P. Hij zat het laatste deel van zijn straf uit in kliniek Altrecht Aventurijn in Den Dolder, een forensisch psychiatrische afdeling (FPA). Het aanbod van zulke klinieken is sinds de jaren 90 sterk gestegen. Ze werden in het leven geroepen om de ggz-instellingen meer toegankelijk te maken voor patiënten die via het strafrecht met de psychiatrie in aanraking kwamen. En ook voor verdachten die eerder tbs weigerden, is de FPA een populair alternatief.

Zonder detectiepoortjes

Zulke klinieken maken vaak deel uit van grotere ggz-instellingen en het beveiligingsniveau is er lager dan in een tbs-kliniek. In een tbs-instelling geldt beveiligingsniveau 4, vergelijkbaar met een gevangenis, in een FPA niveau 1 of 2. Het zijn gesloten afdelingen met hekken en verstevigde ramen en deuren, maar zonder dubbele beveiligingsring of detectiepoortjes. Er zitten cliënten op verschillende ‘forensische titels’ met elk eigen regimes en verlofafspraken, ook weer afhankelijk van de fase van hun detentie. Sommige tbs-gestelden brengen een deel van hun behandeling door in een FPA. En dus ook gedetineerden van wie een gevangenisdirecteur heeft gedacht: zo doen we tenminste íéts en komt-ie niet onbehandeld op straat.

Niet elke gedetineerde met een geestesziekte komt voor een FPA-verblijf in aanmerking. „Overplaatsing van een gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis vindt alleen plaats als dit vanuit veiligheidsoverwegingen toelaatbaar is”, schreef de staatssecretaris in 2015 aan de Kamer. En zo’n besluit is niet zomaar genomen: na een beoordeling door het Psychomedisch Overleg, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie en Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) geeft een onafhankelijke psychiater een indicatie af en gaat DJI na of er geen contra-indicaties, zoals vluchtgevaarlijkheid, aanwezig zijn. „Ik ben van mening dat dit proces zorgvuldig is”, antwoordde hierover de staatssecretaris op Kamervragen. Ook toen was de aanleiding een incident met een gedetineerde die geen tbs had gekregen maar wel was overgeplaatst naar een forensisch psychiatrische afdeling – eveneens Altrecht.

Maar we moeten nu niet doen alsof tbs de heilige graal is, zegt advocaat Lieftink. „Straks heb je weer een incident met een tbs’er en krijgt dát systeem weer de volle laag.”