Column

Zoefzoefzoef

Een koeling zoemt, vrachtwagens rijden voorbij over keien, hun lading dendert en het klinkt alsof er achterin in het café waar ik zit bestek wordt gepoleerd. Er zijn nog niet veel klanten. Het is een rustige ochtend. Mijn thee wordt gebracht door de ijzig mooie serveerster die altijd opruimt.

Ook nu weer. Ze zet met één hand de kop en schotel neer, legt in het woord ‘alsjeblieft’ het kleine beetje vriendelijkheid dat ze bereid is te veinzen, en maakt van het moment waarop ik haar bedank gebruik om met haar andere hand de menukaart, die ik voor me neer had gelegd om een broodje uit te zoeken, zo zoefzoefzoef terug in het houdertje dat op tafel staat te steken. Onbewogen loopt ze weg.

Het gaat altijd zo snel. Je weet dat ze iets gaat opruimen maar het is altijd een verrassing wat. Soms is het je wijn, als er nog een goede slok in zit, soms is het je bord, als je er nog van aan het eten was, maar even naar buiten keek/naar de wc was gegaan/iets in je tas zocht. En denk maar niet dat je haar daarna aan kan schieten om ernaar te vragen. Alles, behalve rommel of dingen die in de zeer nabije toekomst rommel zouden kunnen worden, lijkt langs haar heen te gaan. Ik had mijn thee dan ook bij de altijd lachende jongeman besteld die hier ook vaak werkt. De opruimserveerster, een lange slanke gedecideerde verschijning, zie ik eigenlijk altijd stevig doorlopen. Ook als het rustig is, zoals nu. Er moet altijd opgeruimd, blijkbaar. Er is altijd voorsprong te behalen, of zoiets. Alles wat je nu opruimt hoef je later niet te doen?

Het is een beetje alsof ze het leven en al wat gebeurt meteen wil uitvlakken

Ik probeer een beetje in haar psyche te breken, maar ik vind het echt heel erg moeilijk. Ze staat ook nooit even te kletsen met haar collega’s. Geen idee wat ze doet als ze niet opruimt. Ik stel me zo voor dat ze als een roofdier in een slecht verlichte hoek van de zaak staat te wachten tot ze kan toeslaan. Alleen het wit van haar ogen en haar schortje zijn, voor wie weet waar hij naar kijkt, te zien.

Het is een beetje alsof ze het leven en al wat gebeurt meteen wil uitvlakken, uitwissen, het terwijl het plaatsvindt wil wegpoetsen, schoonmaken, opkuisen, alsof ze niet tegen uitbuiken, rondhangen, aanvreten, en doormodderen kan. Ze doet me denken aan een robot. Een robot met een taakje. Op het plein waar ik op uitkijk staat een jonge vrouw te huilen. Heel hard. Ze veegt iedere traan direct en vrij ruw weg met haar mouw. Haar gezicht wordt steeds roder. De opruimserveerster grist een mandje theezakjes van een tafel en kijkt kort naar buiten. Ze ziet de huilende vrouw, neemt haar onbewogen in zich op en draait zich om om het mandje terug te brengen, onderwijl haar omgeving afspeurend naar rommel. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik er van overtuigd raak dat ik deze vrouw/robot nodig heb in mijn leven. In mijn huis. Haar onwil of onvermogen tot gezellig doen is werkelijk een pré. Ik zou me minder schamen voor alle troep. Ik heb ook genoeg plekken in de woonkamer waar vandaan ze mij als rommelmaker stiekem kan gadeslaan. Dat wil zeggen, vooralsnog. Als er echt een keer iemand gaat opruimen ben je natuurlijk wel meteen veel spionageplekken kwijt.

De huilende vrouw staat nu naast haar fiets. Een man met een slijptol komt haar slot eraf halen. Als de huilende vrouw ook een opruimserveerster in huis had gehad had ze nu vast niet staan huilen.