Recensie

Wereldpremière van een virtuoos gecomponeerde aha-erlebnis

Klassiek

Het lang verloren gewaande Pianoconcert van Ton de Leeuw voert in drie delen langs de vroeg-twintigste-eeuwse muziek, maar heeft toch een eigen signatuur.

Ralph van Raat Foto Simon van Boxtel

Jarenlang lag het te verstoffen in de archieven van het Documentatiecentrum voor Nederlandse Muziek (Donemus). Gelukkig kwam medewerker Fons Brouwer het verloren gewaande Pianoconcert van Ton de Leeuw alsnog op het spoor. Donderdag gaf pianist Ralph van Raat met het Residentie Orkest onder Ed Spanjaard de Wereldpremière.

Ton de Leeuw was amper 22 toen hij in 1948-49 zijn Pianoconcert schreef. Zijn compositieopleiding bij Henk Badings had hij zo goed als afgesloten. Zijn studietijd bij Olivier Messiaen in Parijs lag nog in het verschiet. De jonge De Leeuw balanceerde zogezegd tussen verschillende werelden en dat doet zijn Pianoconcert ook. In de Rotterdamse Laurenskerk bleek het werk een virtuoos gecomponeerde aha-erlebnis die in drie delen langs de centra van de vroeg-twintigste-eeuwse muziek voert.

Frans: de gewichtsloze piano-arabesken die zich in de openingsmaten sierlijk rond kabbelende klarinetten en celli vlechten. Of het ‘Andante sostenuto’ dat met een fluwelen fluitsolo een verre sferische verwant is van het langzame deel uit Ravels Pianoconcert in G. De scherpe, bij vlagen bijtende ritmiek in de hoekdelen verraden een invloed van Bartók, terwijl de spottende fagot, ironische snare-roffels en pesterige trompetlijntjes in de finale naar Sjostakovitsj rieken. Nederlands, want des Willem Pijpers: de consequent gehanteerde octotonische toonladder.

Melodisch

En toch, ondanks alle invloeden en ontleningen schemert er ook al iets vintage De Leeuws in de noten. Al was het maar omdat de muziek zo nadrukkelijk vanuit de melodie is gedacht (getuige de vele synchrone lijnen van linker- en rechterhand in de piano). Of vanwege het feit dat piano en orkest zich niet als prota- en antagonist verhouden, maar eerder als gelijken. Een procedé dat De Leeuw een dikke veertig jaar later zou herhalen in zijn andere pianoconcert, Danses sacrées.

Van Raats spel was afwisselend licht en plooibaar, zoals in de prachtig uitgevoerde solocadens in het eerste deel, en puntig in de rappe ritmische passages. Ook Spanjaard zette met het Residentie Orkest in op transparantie. Knap, want geen sinecure in de galmrijke akoestiek van de Laurenskerk, al klonken de climaxen van de weeromstuit wat overgecontroleerd.

De Italiaan Sebastiano Evangelista en de Canadees Adam Hakooz, compositiestudenten van respectievelijk het Koninklijk Conservatorium en Codarts, tekenden voor nóg twee wereldpremières. Beide schreven een companion piece bij de Tweede symfonie van Beethoven.

Waar Evangelista in S’glhuo uit de oorspronkelijke tutti-akkoorden en paukenroffels een parallel universum van kleurrijke maar ook wat statische klanknevels optrok, daar klonk Hakooz’ Flux als een uitvergroting van Beethovens narrige bokkensprongen. Claxonnerend koper, ziedende cimbalen en krijsende glissando-massa’s. Sturm und Drang 3.0.

De Tweede symfonie van de meester zelf klonk in Spanjaards handen elegant-gedistingeerd, maar met pit waar nodig. Fraai hoe het Residentie Orkest Beethovens noten met ingetogen dynamiek, klein energiek spel en scherpe accenten fris wist te houden in de stevige reverb van de Laurenskerk.