Recensie

Waar wereldvreemdheid een deugd is

Franca Treur

God had geen welbehagen in Ina, die in Treurs zeer onderhoudende derde roman van haar geloof valt.

Oh, zoals Franca Treur in een luttel zinnetje een heel mens en een hele wereld kan vangen! Zie dan hoeveel erin zit, in zo’n schijnbaar onbenullig, maar onweerstaanbaar tussendoorzinnetje over bijvoorbeeld de relatie van hoofdpersonage Gina: ‘De stofzuigerslang viel altijd om als Jean-Paul zijn racefiets op haar overloop parkeerde.’ Moeten we nog meer kwijt over die relatie? Tot mislukken gedoemd, dat voel je.

Of dit, over Gina en haar tantes, die rond het sterfbed van opa zitten, die pogen om nog iets van eerbied en decorum in stand te houden: ‘Toen streek de vlieg neer op zijn slaap. Alle drie tegelijk joegen we hem weg, onze handen bezerend aan die van elkaar.’ Dat is niet alleen een behoorlijk grappig beeld, het is ook een voortreffelijke manier om de personages in al hun menselijkheid neer te zetten – om ze van vlees en bloed te maken.

De hoop bleek dus terecht! Bij de nieuwe, derde roman van Franca Treur was de stille hoop dat het de scherpte zou hebben van haar knappe kortebaanwerk: de korte verhalen die ze wekelijks publiceert, eerst in NRC en tegenwoordig in Trouw, en die ze bundelde in X&Y (2016). Snapshots van een mensenleven zijn het, scherp maar vol mededogen, waar je onder de oppervlakte nog allerlei persoonlijke wensen, verlangens en karakterzwaktes voelde broeien – en telkens had ze er maar een paar zinnen voor nodig. Die verhalen waren misschien wel Treurs grootste proeve van schrijfkunst tot dusver, nog beter dan haar twee romans, succesdebuut Dorsvloer vol confetti (2009) en het heel andere De woongroep (2013).

Leven in dienst van God

Zou ze dat vermogen nu ook op de langere baan gaan toepassen? Ja dus. Nog een voorbeeld van zo’n opvallend-onopvallend sterke zin, eentje die iets dramatischer is: de conclusie van een anekdote over een mini-radiootje dat een veertienjarige Gina ‘tijdens de spaarweek van de Rabobank’ (ocharm) had verkregen en voor het een kik kon geven in de afvalbak eindigde: ‘Geluisterd werd er alleen naar het ruisen van elkaars zenuwen.’

Daar zit iets enorm onheilspellends en tragisch in, iets ingehouden opstandigs ook, en bovendien iets plechtstatig Bijbels. Het lijkt bovendien een verwijzing naar de titel van de roman, Hoor nu mijn stem. Want behalve naar de radio wordt in deze Zeeuwse reformatorische kringen ook dáárnaar nauwelijks geluisterd: naar de persoonlijke stem. Het leven staat niet in het teken van de gewone stervelingen, maar alleen van God.

De dynamiek zorgt ervoor dat deze roman constant blijft boeien

Franca Treur (1979) is terug waar ze met haar debuut begon: op de Zeeuwse eilanden, in een bevindelijk reformatorisch milieu ‘waar wereldvreemdheid een deugd was, samen met bescheidenheid, zondebesef, vrouwelijke zwijgzaamheid en gebrek aan ambitie.’ Het verhaal gaat over Gina, nu een succesvolle, stadse radio-interviewster, maar ooit een plattelandsmeisje dat Ina heette en ‘een doodstil leven’ leidde ‘op een doodstille plek niet ver van de zee’. Maar hoewel haar identiteit zich ook verwijderd heeft van het Zeeuwse land, het strenge geloof en haar jeugd, er helemaal van losgekomen is Gina/Ina niet. Als een van haar tantes, bij wie Ina opgegroeid is na het verongelukken van haar ouders, in nood zit, stapt Gina spoorslags op de trein – en zet, letterlijk, een pruik op, om nog maar zo veel mogelijk te lijken op de Ina van vroeger.

Hoor nu mijn stem is een kalm boek, uitgesponnen verteld maar immer onderhoudend, waarin de hoofdstukken over de treinreis in het heden alterneren met een chronologisch verhaal over het verleden. Tussen die twee lijnen zit een verschil in vertelperspectief: in het verleden vertelt Ina als ‘ik’, in het heden is Gina ‘zij’ – om te benadrukken dat Gina zichzelf ziet als ‘een verzameling ikken met een flodderige strik eromheen’, niet alleen meer één eenduidige Ina. Die twijfelt al lang aan haar geloof: ze voelt zich niet vroom genoeg, ‘God had in haar geen welbehagen’. Dat is subtiel, mooi gedaan, net als de verschillende richtingen die de verhaallijnen uit gaan: Ina’s verhaal vertelt over verwijdering, Gina’s verhaal juist over terugkomst. Die dynamiek zorgt er ondanks het kalme tempo voor dat Hoor nu mijn stem constant blijft boeien, naast al die goed geschreven zinnen en treffende, grappige observaties van Treur.

Afvalligenliteratuur

Maar de inhoud van het verhaal, de geschiedenis van een christen die van haar geloof valt, is niet erg verrassend. Dat is in zekere zin ‘het bekende verhaal […] over de trek van platteland naar stad, van God naar afhaalsushi’, om te citeren uit de recente roman Wormen en engelen van Maarten van der Graaff, die min of meer hetzelfde uitgangspunt heeft, maar nog een paar stappen méér neemt: wat volgt er? Wat komt er voor het geloof in de plaats? Treur gooit wat lijntjes uit in die richting: literatuur neemt voor een deel de honneurs waar. ‘Literatuur lokte met de belofte haar iets terug te kunnen geven dat ze zelf was kwijtgeraakt.’ En wanneer God niet meer de Man is die liefgehad dient te worden, heeft Gina eindelijk ruimte voor waarachtige liefdesrelaties met mannen – met de nodige worsteling. In Gina’s houding in de liefde, die danig is beïnvloed door de ondergeschiktheid van vrouwen aan mannen, kun je de gevolgen van een seksistische cultuur waarnemen, een onderstroom in het verhaal waar ook de titel naar verwijst.

Maar veel meer dan een onderstroom of uitgeworpen lijntjes worden dat niet, Treur houdt haar verhaal toegespitst en persoonlijk. Gevolg daarvan is wel dat Treur met deze roman niet bijster veel toevoegt aan wat er al bestaat aan ‘afvalligenliteratuur’: Hoor nu mijn stem vertelt niet per se een nieuw en eigentijds verhaal, zoals Van der Graaffs roman deed.

Enfin: dat zijn bedenkingen nadat je het uit hebt, maar die doen weinig af aan wat de roman wél is, en het plezier dat je hebt en houdt in het verhaal. Dat is allemaal te danken aan die fijnzinnige stijl van Treur. Oh, zo’n fijne zin over tante Ma, de kille surrogaatmoeder die Gina hier even vol mededogen in haar hemd zet: ‘Vanmorgen nog had ze de loftrompet gestoken over het feit dat ze haar eigen bovengebit nog had.’ En ach, deze zin die Gina’s tekort aan liefde zo beschrijft dat het tegelijk grappig is en door merg en been gaat: ‘Ik heb zo veel liefde in me, zei ik tegen Tineke. Ik zou van een stoptrein kunnen houden, of van de meelfabriek.’