Opinie

Vlieg mantelzorgers uit Turkije en Marokko in, die begrijpen ons

Nederland kent vrijwel geen instellingen die berekend zijn op de gebruiken én gebreken van Nederlandse Turken en Marokkanen, aldus .
Foto Bernice Siewe, uit Abrikoos in de achtertuin

Niet alleen bij mijn ouders, maar achter de voordeur van legio Marokkaanse en Turkse families etteren onbeschrijflijke ouderdomsdrama’s. Huizen waar Thanatos iedere dag door het keukenraampje gluurt, soms aanklopt maar vaak eindeloos wacht met binnenstappen. Hoevelen smeken Allah niet om verlossing. Het is een bekende les: oud worden is als steeds erger gestraft worden voor een misdaad die je niet hebt begaan. Over het multiculturele zorgdrama heb ik al eerder de noodklok geluid: de goeddeels bejaarde eerste generatie kampt in toenemende mate met ernstige kwalen en kwellingen maar een goede, passende oudedagsvoorziening ontbreekt botweg. En de kinderen betalen een hoge tol.

Het dappere manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers (‘Scherp op ouderenzorg’) hekelt terecht veel manco’s, maar gaat jammerlijk voorbij aan één aspect: de cultuursensitieve dimensie van de zorg. Een roomwit manifest. Onbegrijpelijk, zeker in deze tijd, waarin allang Indonesische, Surinaamse en Joodse locaties zijn opgericht en zelfs (zoals in het Amsterdamse Sarphatihuis) speciale afdelingen bestaan voor ‘roze ouderen’. Maar voor de moslims – alle islamgezever ten spijt – is de spoeling flinterdun. In Nederland bestaan vrijwel geen instellingen (op ‘n paar Randstedelijke woongroepen na) die berekend zijn op de specifieke zeden en gebruiken (cultureel, religieus) én gebreken (analfabetisme) van met name de Turkse en Marokkaanse populatie.

Natuurlijk is dat de gemeenschappen ook zelf aan te rekenen; zij hebben twintig jaar zitten dommelen. Maar ook de hele zorgindustrie, met al zijn poenige managers, zijn stekeblind geweest voor deze vergrijzende migrantengolf.

Complicerende factor is dat bij moslimfamilies op opname een lijvig taboe rust. Anders dan hier in het Westen is het in moslimculturen zowat blasfemisch om je ouders in een verpleeginrichting te ‘dumpen’. Een schanddaad. Hier spreekt het Elfde Gebod: „Als jij jong en kwetsbaar bent, zorgen je ouders voor jou; als zij oud en kwetsbaar zijn, zorg jij voor hen.”

En zolang er geen verpleeghuizen bestaan waar deze doelgroep zich thuis voelt, blijft het taboe fier overeind en regeert het Elfde Gebod.

Maar dit (op zich nobel) gebod is in de Nederlandse context stilletjesaan een wurgtouw om de nek van de kinderen geworden. Immers, dit land, zeker in de Randstad, ontbeert de hechte dorpsverbanden zoals in de Marokkaanse Rifstreken en de Anatolische hoogvlakten. Om de hoek geen extended family. In Nederland wonen de (klein)kinderen vaak uithuizig en op afstand, hebben school- en studieplichten, drukke banen, slopende gezinslevens, sociale bezigheden, en al die andere stressverwekkende obligaties die aan het moderne bestaan kleven. De kinderen kunnen dus onmogelijk intrekken bij de ouders, en andersom lukt evenmin. Daaraan gekoppeld zit nog een praktische complicatie: in de sociale huursector (waar deze doelgroep dikwijls woont) zijn de meeste woningen hopeloos krap, kennen zelden een lift, smalle deurposten, tekort aan kamers. In zulke woningen zijn een rolstoel en douchestoel een crime. De tillift maakt een rotatiehoek die een gemiddeld flatkamertje nauwelijks toelaat. Tel daarbij op de concentratie van depressies, verlammingen, infarcten, botverkalkingen, afasie, dementie, diabetes, etc. op een miezerig oppervlak, en u snapt dat het flatje alras transformeert in iets wat het midden houdt tussen apotheek, hospice en sanatorium – met alle bijbehorende aroma’s van antibiotica en geïnfecteerde poep- en plasluiers. De wijkverpleging doet zijn best maar blijkt vaak ontoereikend. Ze is doorgaans erg ‘wit’ en dermate verbureaucratiseerd (Broodje smeren? Mag niet. Kopje thee zetten? Mag niet. Vuilniszak buitenzetten? Mag niet) en sterk gebonden aan indicatieminuutjes (‘uurtje factuurtje’). Ergo: de dagelijkse zorgsores drukken vooral op de schouders van de kinderen die daar zienderogen kapot aan gaan.

Lees ook de bijdrage aan de serie ‘lessen van mijn moeder’ van Mohammed Benzakour: „U gaf licht, maar bleef zelf in duisternis.”

Dit kan niet. Dit mag niet. Maar wat dan? Na vele beproevingen zie ik nog maar één uitweg: het invliegen van mantelzorgers uit de dorpjes van Turkije en Noord-Marokko. We kennen al de Poolse aspergestekers, Roemeense loodgieters, Indiase ICT’ers. De tijd is aangebroken voor Marokkaanse en Turkse expats.

Permanent inwonende zorgverleners die qua taal én geloof aanverwant zijn. Dat kan een bekende dorpsgenoot zijn, of nog liever een familielid. Een tante, een zus, een nicht, no matter who, als het maar iemand is die (los van de medische handelingen door de wijkverpleging) 24 uur per dag voor ze klaarstaat. Iemand die helpt bij het aankleden, die eieren bakt in olijfolie, muntthee zet, couscous bereidt, de brievenbus leegt, borden afruimt, kleding verschoont, boodschappen doet, de telefoon opneemt, de sleutels beheert, rolstoelwandelingen maakt, iemand die keuvelt, grapt, verhalen opdist uit de oude doos – en intussen een oogje in het zeil houdt en zo nodig alarm slaat. Kortom: iemand die zorgt dat ‘t huis een fijn, vertrouwd én veilig oord wordt. In die overzeese dorpen barst het van zulk potentieel. Vrouwen die staan te popelen om de mouwen op te stropen in ruil voor tijdelijke (bezoldigde) logies bij familie in Europa.

De kinderen hier kunnen zich dan beperken tot visites én het beheer (gekmakend genoeg) van de berg administratieve, communicatieve en logistieke taken richting huisarts, geriater, internist, fysio, verzekeraar, trombosedienst, zorgkantoor, wijkverpleging, WMO, CIZ, SVB, gemeenten en nog zo’n kluit instanties. Maar, zoals vaker in Nederland, staan wetten in de weg en (niet eens zozeer) praktische bezwaren. De versoepelde migratieregels voor tijdelijke arbeidskrachten gelden voornamelijk de EU-landen. Aan au-pairs kleven inkomsteneisen die enkel welgestelden zich kunnen permitteren. En in geval van niet-Europese expats gaat het louter om hoogopgeleide specialisten.

Het demissionaire kabinet trekt de komende vier jaar een grote zak geld uit voor verpleeghuizen, oplopend naar twee miljard euro. Dat is mooi. Maar het zou pas een daad van visie en durf zijn als de IND en de ministers van Justitie en Volksgezondheid, in samenwerking met zorgkantoren en verzekeraars, de mogelijkheden onderzoeken om expats in te vliegen uit Marokko en Turkije. Een mantelzorger uit een zonnig bergdorpje is weliswaar niet hoogopgeleid, maar zij is een specialist die haar gewicht in 24 karaat goud waard is. Het mes snijdt aan alle kanten. Niet alleen bied je de eerste generatie (die Nederland door weer en wind heeft helpen opbouwen) een waardige, welverdiende oude dag. Je ontlast tegelijk de druk op de zorg, zowel aan familiezijde als aan de kant van het stelsel zelf.