Recensie

Terugblik met monkelende ironie en milde spot

Berend Boudewijn regisseerde een reclamespotje voor donsbedden. De actrice die erin optrad, droeg een eenvoudige ochtendjas. Prompt ontstond er een langdurige discussie over de vraag of dit kledingstuk wel chic genoeg was. En of het niet beter zou zijn als iemand even een betere ochtendjas ging kopen. Boudewijn vreesde een lang oponthoud, waardoor de opnamen tot laat op de avond zouden voortduren. Daar had hij geen zin in. ‘Dus ik hield een op niets gebaseerd bevlogen betoog over de voordelen van de simpele en de nadelen van de chique ochtendjas.’ Volgens hem zou de kijker zich makkelijker met de eenvoud kunnen identificeren dan met de chic. ‘Een redenering die je net zo goed andersom kunt ophangen. Maar er werd instemmend geknikt en we waren om zes uur klaar.’

‘Ik ben het nadien nog vaak tegengekomen’, vervolgt hij. ‘Veel beweringen zijn net zo geldig als hun tegendeel.’

Het is een typerende passage uit Ik stond erbij en ik keek ernaar van Berend Boudewijn (1936), een luchtige bundel herinneringen aan zijn jeugd en zijn vele carrières: als toneel- en tv-regisseur, tv-presentator, quizmaster, scenarioschrijver, radiomedewerker, toneelleider en schouwburgdirecteur. Typerend, omdat hij met een monkelend soort ironie terugkijkt op de wereldjes waarin hij zich bevond, en zichzelf danig relativeert. Niet met valse bescheidenheid, maar wel met een prettige neiging tot milde spot. Zoals over zijn opleiding tot tv-regisseur, die voornamelijk bestond uit één advies: ‘Wie lult is in beeld. Maar niet altijd.’ En over de fabrieksmatige manier waarop hij diverse afleveringen van politieserie Baantjer in elkaar zette: ‘Eén aflevering moet 42 minuten duren, moet in acht draaidagen op locatie opgenomen worden met die en die voor de hoofdrol plus dingetje hoe heet ze ook weer, met die tieten, als zijn vrouw. Oké. Als je een sonnet schrijft, zit je ook met beperkingen.’

Tussen de bedrijven schetst hij een aandoenlijk beeld van de beginjaren van de televisie, toen de belangenvereniging van tv-makers de naam Groep van 73 droeg – omdat er halverwege de jaren zestig niet meer dan 73 tv-makers waren. Opzienbarende onthullingen heeft Boudewijn niet te bieden. Of het zou de ontmaskering van de BB-stoel moeten zijn, die als prijs in de BB Kwis de status kreeg van een door miljoenen felbegeerd meubelstuk, maar die niets meer was dan een ‘imitatie Eames-stoel’. In elke show moest er zo’n fauteuil worden uitgereikt, omdat de KRO er voor een koopje een dozijn op de kop had getikt.