Column

Te veel zout in open wond

‘Hoe is het eigenlijk met jóúw vuurkracht gesteld?” vroeg ik mijn vrouw terwijl ze binnenviel met de boodschappen, die ze gelukkig nog zonder de pittige btw-verhoging van Rutte III had mogen inslaan.

„Vuurkracht, hoezo”, bracht ze uit, terwijl ze puffend tegenover me plaatsnam.

„De vuurkracht die Dijsselbloem niet meer kon opbrengen voor de oppositie in de Tweede Kamer,” zei ik, „de vuurkracht van een kanon, noemde hij het.”

„O, dat”, zei ze terwijl ze met haar rechterhand deed alsof ze een lastige vlieg verjoeg. „Ik hoef toch niet steeds Dijsselbloem te verdedigen? Hij heeft me zwaar teleurgesteld, dat weet je, hij pleegt kiezersbedrog, vooral omdat hij steeds zo nadrukkelijk heeft beloofd dat hij naar de Kamer zou terugkeren.’’

„Moeten we hem niet zien als iemand die het zinkende schip verlaat?”, vroeg ik. „Net als die prominente partijleden die het vertikten om voorzitter te worden, zodat jullie nu met een voorzitter zijn opgezadeld waarvan ik de naam maar niet kan onthouden. Nelleke Ve…”

Het viel me op dat ze mijn poging niet voltooide. „Ik vind het allemaal zó triest voor Hans Spekman”, zei ze. „Die had graag willen aanblijven als voorzitter, maar hij mocht niet van de partij, terwijl Dijsselbloem wel mocht blijven, graag zelfs, maar het nu opeens zelf niet meer wil, hoewel hij een derde plaats op de kandidatenlijst had geëist.”

„En reken maar dat hij wel was gebleven als jullie een goede verkiezingsuitslag hadden gerealiseerd.” Ze knikte. Ik voelde dat ik bezig was te veel zout in een open wond te wrijven en probeerde het (dat zout dus) over een positievere boeg te gooien. „Ben je een beetje tevreden over Asser?”

„Asscher heet die man”, zei ze.

„Ja, maar jullie mevrouw Arib, de Kamervoorzitter, noemt hem soms Asser.” Ze negeerde mijn observatie en zei met opmerkelijke geestdrift: „Wat ik tot dusver van hem in het Kamerdebat over het regeerakkoord zag, beviel me zeer. Hij bleef goed overeind tegenover Pechtold. Hij formuleerde scherp en helder en kwam met een rake typering: dit is een rechts kabinet met meer zorgen over het inkomen van de consultant en de manager dan dat van de onderwijzer en de politieagent.”

Ik wees er fijntjes op dat Asscher wel erg flirterig tegen Emile Roemer begon te doen. Ik vroeg me af hoe Frans Timmermans dat zou vinden, want die had destijds Job Cohen fel gewaarschuwd toen hij toenadering tot de SP zocht. Timmermans vond dat „het gisteren-was-alles-beter socialisme van de SP” haaks op de sociaal-democratie stond: „Voor ons een doodlopende weg.”

„Ik zie ook meer in samenwerking met GroenLinks dan met de SP,” zei mijn vrouw, „maar het is goed als die drie partijen elkaar in de oppositie steunen.” Ik had ook nog de door de PvdA gesteunde ‘aflosboete’ voor huizenbezitters willen bespreken, maar het leek me verstandiger dit heikele onderwerp te laten rusten tot de vuurkracht in haar partij hersteld was.

„Nog een fijne islam”, zei ik terwijl ik opstond. Ze keek me verbijsterd aan. „Wilders vindt dat je in elk gesprek en elke tekst minstens één keer de islam moet noemen”, lichtte ik bereidwillig toe.