Recensie

Mislukt manager van ‘rebels’ Amsterdam

Gijs van Hall (1904-1977)

Een jongeman van stand, succesvol bankier en verzetsstrijder die burgemeester werd van Amsterdam. Hij struikelde in zijn tweede termijn over ‘nieuwerwetsigheden’ in de ‘lastige stad’.

Burgemeester Gijs van Hall begroet in februari 1964 in het Amstel Hotel, Amsterdam, het verloofde paar prinses Irene en prins Carlos Hugo de Bourbon-Parma. Foto ANP

Er was een tijd dat een burgemeester van Amsterdam moest aftreden na een tv-interview. Dat overkwam Gijs van Hall vijftig jaar geleden. Presentator Mies Bouwman vroeg naar de ongeregeldheden in Amsterdam: ‘Een heel beroerde toestand’, vond Van Hall. Wie of daar een eind aan zou maken? ‘Ik kan het niet, de politie kan het niet.’ Zo bezegelde Van Hall (1904-1977) zijn lot, live op Nederland 2.

Waarom mislukte dit burgemeesterschap? Het antwoord, volgens Van Hall zelf, is de titel van Dirk Wolthekkers biografie Alleen omdat ik een Van Hall ben.

In 1904 geboren in een welgesteld Amsterdams gezin leeft Van Hall tot de oorlog als een zondagskind. Hij leert op het Amsterdams Lyceum uitgeversdochter Emma Nijhoff kennen en Wolthekker laat haar grote invloed zien. Al voor hun huwelijk in 1928 schrijft zij hem: ‘Weet je wat ik nu enorm zou vinden? Als jij later minister werd, of zoiets tenminste.’ Treffend is zijn antwoord: ‘Hoe kwam je op de gedachte dat ik minister moest worden? Ze hebben tegenwoordig niets meer in te brengen, vooral hier in Nederland niet. Nee, het lijkt mij zo fijn om je op te werken als Stinnes die, hoewel hij geen staatsambt bekleedt en tegen de bestaande staatsvorm is, toch de machtigste man in Duitsland is.’

Hugo Stinnes had als Duitse industrieel fortuin gemaakt tijdens en na de Eerste Wereldoorlog en zich politiek verbonden aan ex-generaal Ludendorff, die in de vroege jaren van het nazisme innige banden onderhield met Hitler. Een wonderlijk voorbeeld voor de jonge Van Hall. Wonderlijk ook dat Wolthekker hier niet veel anders in ziet dan dat Van Hall ‘zich liever spiegelde aan captains of industry’. Het lijkt toch veelzeggend dat de latere sociaal-democraat als jongeman geen bezwaar had tegen autocratische types.

In de oorlog raakte Van Hall bij het verzet betrokken. ‘Een bewuste en expliciete keuze voor de illegaliteit maakte Gijs niet, althans die is nergens expliciet terug te vinden’, schrijft Wolthekker. Na de oorlog zou hij zelf zeggen: ‘Ik was maar één rad in het geheel, waarvan Wallie de ziel was.’ Wallie was Gijs’ jongere broer Walraven, die een cruciale rol speelde in het verzet. Zo had hij na de Februaristaking van 1941 een steunfonds opgericht voor nabestaanden van mensen die door de bezetter waren omgebracht en voor gezinnen van zeelieden die hetzij waren omgekomen, hetzij voor de geallieerden waren gaan varen.

Hier kwamen de ervaring van Gijs als bankier goed van pas. Hij bedacht een systeem waarbij de leningen die voor deze Zeemanspot werden ingezameld, gedekt werden door bestaande waardepapieren, die op hun beurt werden vervangen door vervalsingen. Het fonds groeide uit tot de bank van de illegaliteit. Tot na de bevrijding werden er ‘een paar honderd duizend mensen iedere week of maand’ uitbetaald. Het had het onderwerp van een schelmenroman kunnen zijn, als Walraven begin 1945 niet door verraad was opgepakt en als gijzelaar geëxecuteerd. De dood van ‘mijn broer en tevens beste vriend’ sloeg naar zijn eigen oordeel een diepe deuk in Van Halls fysieke en psychische toestand na de oorlog. Intussen droeg zijn oorlogsverleden paradoxaal genoeg bij aan de versterking van Van Halls sociaal-culturele positie, zoals Wolthekker schrijft. Het was in 1957 een van de pijlers onder het brede draagvlak voor zijn benoeming tot burgemeester.

Succesvolle eerste termijn

Zijn eerste termijn was succesvol. Van Hall bestierde de stad met een zekere zwier, soms onbehouwen in zijn uitlatingen, soms met een zweem van moderniteit en met zijn mediagenieke vrouw aan zijn zijde. Hij loste het slepende probleem van de verbinding met Amsterdam-Noord op door de IJ-tunnel aan te leggen, waarvoor hij leningen van Amerikaanse banken wist los te peuteren terwijl het Rijk niets wilde bijdragen. Van Hall zag de stad vooral als een onderneming waar hij als manager leiding aan gaf.

Dat die opvatting zo haar beperkingen kende, bleek in zijn tweede termijn toen hij frontaal botste met de tijdgeest. In de tweede helft van de jaren zestig kookte de vanouds ‘lastige stad’ over van de nieuwerwetsigheden. Happenings en provocaties bleken aan de politie niet besteed. Zij trad hard en inconsequent op tegen ontregelende manifestaties als de anti-rookhappenings van Robert Jasper Grootveld of het uitdelen van krenten door Provo’s.

Als burgemeester was Van Hall verantwoordelijk voor de openbare orde, maar Wolthekker laat duidelijk zien dat hij had verzuimd zich ook maar in de geringste mate voor deze essentiële kant van zijn portefeuille te interesseren. ‘Van Hall moest niets van de politie hebben’, aldus hoofdcommissaris Van der Molen. ‘In de praktijk kwam het erop neer dat Van Hall en ik helemaal geen contact hadden.’

Het is een verbijsterend gegeven in het licht van de problemen die deze jaren vrijwel alle met de openbare orde te maken hadden: de rellen rond het huwelijk van Beatrix, het bouwvakkersoproer, allebei in 1966. Van Hall weet de problemen aan zijn politiechef, maar Wolthekker is gelukkig streng voor zijn onderwerp. Van Hall, die naar de mode van die tijd steevast als ‘regent’ werd afgeschilderd, was volgens hem juist te weinig de ‘typisch Nederlandse buigzame’ regent. ‘De teugels laten vieren en daardoor de touwtjes in handen houden was een bestuursstijl die Van Hall niet beheerste.’

Jammer dat Wolthekker, die veel mooie bronnen over Van Halls zieleroerselen vond, geen verklaring biedt voor de blinde vlek van de burgemeester voor politie- en justitie-aangelegenheden – de reden van zijn ondergang. Het tragische is dat de Van Hall die zo ondubbelzinnig had gedeugd in de Tweede Wereldoorlog, door de rebelse naoorlogse generatie werd afgeschilderd als een autocraat en daarbij zelfs in verband werd gebracht met het fascisme dat hij had bestreden. Wolthekker citeert de weduwe van oer-Provo Rob Stolk, die in 2014 in Ons Amsterdam zei: ‘Ik heb van één ding spijt’, zegt ze beslist. ‘Dat we burgemeester Van Hall zo verkeerd beoordeeld hebben. Later bleek dat hij en zijn broer zo goed waren geweest in de oorlog.’ Let op het woordje ‘later’ in dit citaat, waarmee de beeldenstormer de onwetendheid van toen toedekt.