Al eens gedacht aan een carrière als schapenherder?

De eerste lichting schaapherders van de mbo-opleiding is afgestudeerd. „Een moderne schapenherder kan niet verlegen zijn.”

Foto Merlin Daleman

Op een fietspad vlak buiten het dorp De Horst in Gelderland komt een groepje racefietsers tot stilstand. Ze zetten bidons aan hun mond. Verderop staat een scootmobiel, ingesloten door een kudde van 250 schapen. De bestuurder kijkt enigszins wanhopig naar Merijn Bakker (32), de schaapherder van dienst. „Wat moet ik nu?”, vraagt ze. „Ik kan ze toch niet omver rijden?” Bakker duwt de schapen aan de kant.

De schaapskudde van Bakker begraast de berm van het fietspad en het daarnaast gelegen oude spoor. „Ze eten eikeltjes, bramen en brandnetels, maar voornamelijk gras. Daarmee voorkomen ze dat het fietspad overwoekerd raakt”, zegt Bakker, die voor begrazingsbedrijf Bos en Schaap werkt.

Bakker is een van de eerste schaapherders in Nederland met een schaapherdersdiploma. Afgelopen zomer zijn de eerste veertien schaapherders afgestudeerd, onder wie Bakker. In 2015 begon een tweejarige deeltijdopleiding bij Helicon Velp.

Er is een tekort aan schaapherders, zegt opleidingscoördinator Geert Willink – elk jaar zouden er tien tot vijftien bij moeten komen. „De beroepsgroep vergrijst en herders stromen soms door naar andere banen in het groen- en natuurbeheer.” Er zijn nu ongeveer 150 professionele schaapherders.

Bovendien is het beroep van de schaapherder veranderd en dat vraagt om andere vaardigheden, zegt Willink. „Een kudde is er niet meer alleen voor de productie van vlees en wol. Gemeenten, waterschappen en organisaties als Natuurmonumenten zetten steeds vaker schapen in voor natuurlijk groenbeheer.”

Schapen voor cultuurlandschap

Neem heide. Dat is cultuurlandschap, typisch Nederlands, legt Bakker uit. „Schapen eten de grassen die heide wegdrukken. Maar als heide niet wordt begraasd, verdwijnt het. Dat is precies wat er sinds de jaren 80 is gebeurd. Er is nog maar vier procent van de oorspronkelijke velden over. Daarom staan er nu weer vaker kuddes op de hei.”

Nieuw is de vraag naar begrazing in een stedelijke omgeving, vertelt Bakker. Hij staat met zijn kudde zowel op heidevelden als in wegbermen, oevers en parken van de gemeente Berg en Dal.

Het is beter voor de natuur om schapen te laten grazen in plaats van alles weg te maaien, legt Willink uit. „Schapen verplaatsen bijvoorbeeld zaden en insecten die ze in hun vacht meedragen. Bovendien laten schapen de bijzondere plantensoorten met rust en daar komen weer dieren op af zoals vogels, vlinders en insecten. Begrazing met schapen verhoogt de biodiversiteit.” Waarom is dat ook alweer belangrijk? Voor een gevarieerder ecosysteem en een kleurrijker landschap, zegt Willink.

De schapen van jonge schaapsherder Merijn Bakker. Foto Merlin Daleman

Bakker, bruine baard, sportieve rugzak, gebruikt een hond om zijn schapen aan te sturen. Een bordercollie met de naam Messel. Als zij „look back” hoort, rent ze naar een achtergebleven schaap om het bij de groep te drijven. Anders rent ze hyperactief om de schapen heen zodat zij niet de nabijgelegen maisvelden in rennen of voorbij de poort bij de Duitse grens komen. Al is er bij de buren niet veel te halen. Er is geen grassprietje op het spoor te bekennen. „Weggebrand”, zegt Bakker. „Het ziet er netter uit, maar het is slechter voor het milieu.”

Wat betekenen de gekleurde markeringen op de ruggen van de schapen? „De blauwe schapen zijn de rammen”, legt Bakker geduldig uit. „De gele schapen zijn twee weken eerder dan de groene gedekt.”

Tijd om te controleren of de schapen iets mankeert, is er niet. Hij moet ze opzij duwen voor de vastgelopen fietsers en scooteraars, die de kudde en de hond regelmatig complimenteren: „Prachtig gezicht!”. „Je bent zo waaks, hè poppie.”

Alleen racefietsers willen nogal eens uit hun slof schieten, zegt Bakker. Hij herinnert zich een man die op een bospad op de kudde stuitte en woest riep: „Ik ben met een tijdrit bezig!”

Het stereotype beeld van de oude introverte man met baard die moeilijk spreekt, klopt niet meer

Opleidingscoördinator Geert Willink

De moderne schapenherder moet niet verlegen zijn, zegt Willink. „Het stereotype beeld van de oude introverte man met baard die moeilijk spreekt, klopt niet meer. Gemeenten zetten schaapkuddes ook in voor het plezier van natuurrecreanten. Daarom moet je over je werk kunnen vertellen.” De kudde van Bakker heeft zelfs een Facebookpagina waarmee hij omwoners op de hoogte houdt van de locatie van de schapen: „De kudde neemt op dit moment de stuwwal te grazen.”

Gemoedelijke beesten

Het heeft even geduurd voordat Bakker begreep wat zijn roeping is. De afgelopen tien jaar was hij vuilnisman, verhuizer, barman, cateraar en fabrieksmedewerker. Na de HAVO studeren, weigerde hij. „Ik ben te recalcitrant. Achter een bureautje zitten is niks voor mij.”

Vijf jaar geleden liet hij zijn baard staan, alsof hij wist dat hij schaapherder zou worden. Maar het kwartje viel pas toen hij in 2015 hoorde over de schaapherdersopleiding in Velp, waar hij veel stage zou mogen lopen. „Ik heb iets met schapen, gemoedelijke beesten, en ik wilde graag buiten werken. Ik zocht naar vrijheid.”

Nederland, De Horst, 21-09-17
Schaapsherder Marijn Bakker laat zijn 250 schapen grazen langs een oude spoorlijn.
© Photo Merlin Daleman
Nederland, De Horst, 21-09-17
Schaapsherder Marijn Bakker laat zijn 250 schapen grazen langs een oude spoorlijn.
© Photo Merlin Daleman
Foto’s Merlin Daleman

Ongeveer 70 mensen meldden zich voor het eerste jaar aan, vertelt Willink. „Mannen en vrouwen: jonge mensen van het VMBO en ook managers en accountants. Uit liefde voor schapen en de natuur of op zoek naar het leven buiten een stressvolle baan op kantoor. Er zaten veel romantici bij die dachten: „Leuk, ga ik met een groepje schapen de hei op en onder een berkenboom zitten.” Na de verplichte meeloopdagen werd de groep vanzelf kleiner, zegt hij. „Schapen hoeden is een levenswijze. Je bent altijd verantwoordelijk voor de kudde en je krijgt weinig betaald. Het is zwaar werk. Op stal moet je met hooibalen sjouwen en de schapen scheren. En verder loop je de hele dag buiten, ook met slecht weer.”

De werkdag van Bakker is pas voorbij als de deukjes bij de linkerheupen van de schapen zijn verdwenen. De pensen onder de ‘hongergroeven’ zijn dan gevuld, en dus mogen de schapen teruglopen naar het nachtvak; netten die onder stroom staan. Bakker loopt voor zijn kudde uit over een grote weg die toevallig ook naar het dorp leidt. Achter de schapen rijdt een stoet auto’s. Bakker voelt zich niet in het minst opgejaagd. „De weg is van iedereen. Ook van schapen.”