Column

Een advocaat moet ook de duivel kunnen verdedigen

Zap

Een documentaireserie over het advocatenkantoor Ficq & Partners brengt de beroepsdevotie goed in beeld. Naar aanleiding van de zaak Anne Faber was er ook bij de talkshows veel aandacht voor de rol van advocaten.

De advocaten Lucy Oldenburg en Richard Korver in DWDD (BNNVARA)

Op de twaalfde dag van de verdwijning van de Utrechtse Anne Faber beperkten de meeste programma’s zich tot het volgen van het nieuws. Dat gold ook voor de eerste aflevering van het nieuwe Team Vermissingen op SBS6: de uitbreiding van de zoektocht naar een golfresort bij Zeewolde, het staken daarvan bij het invallen van de duisternis.

De Wereld Draait Door zoomde uit. Daar debatteerden twee advocaten over de redenen waarom de verdachte, de veroordeelde zedendelinquent Michael P., op vrije voeten door de bossen bij Den Dolder kon lopen. Had deze man geen tbs moeten krijgen? En is het niet gek dat een verdachte tbs in veel gevallen kan ontlopen door eenvoudig niet mee te werken aan psychiatrisch onderzoek? Ja, dat is gek.

Advocate Lucy Oldenburg belichtte manmoedig de andere kant, recht tegen het gevoel in. Want als je iemand tot tbs veroordeelt, moet er wel een stoornis te behandelen zijn. Ze wees erop dat het ‘open einde’ van een terbeschikkingsstelling maakt dat veel verdachten tbs koste wat kost willen ontlopen.

Een advocaat heeft, benadrukte Oldenburg, de ‘morele en tuchtrechtelijke plicht’ zijn cliënt zo goed mogelijk te verdedigen, dus eventueel ook om een zedendelinquent tbs te laten ontlopen. Bij Pauw vertelde advocaat Jan Vlug later iets vergelijkbaars. Hij gaf zelfs toe dat hij cliënten instructies gaf over hoe ze moesten voorkomen dat ze worden onderzocht: zeg niets, blijf naar het plafond kijken, laat je zelfs bij het koffie halen niet uit je tent lokken. Interessant is daarbij de vraag wat het belang van de cliënt is: zo snel mogelijk weer vrij zijn of zo goed mogelijk behandeld buiten komen?

Wie advocaat wordt, moet ook advocaat van de duivel durven zijn. Die gedachte schiet je ook regelmatig te binnen bij De verdediging (BNNVARA), de vierdelige reeks over het advocatenkantoor Ficq & Partners, waarin de partners zich woensdagavond onder meer bezig hielden met het Passageproces en de zaak tegen een jongen van achttien die ervan werd verdacht zijn vader te hebben doodgestoken. Het was de eerste moordzaak van de jonge advocaat Jurriaan de Vries: „Of ik denk dat hij het heeft gedaan? Dat is niet relevant.”

Over de inhoud van de zaken gaat het weinig, des te meer over de uiteenlopende stijlen van de advocaten en de wijze waarop ze (opvallend harmonieus, afgaande op de beelden) samenwerken. Daarbij is Nico Meijering de fascinerendste figuur. Hij combineert een eigendunk die regelmatig over de rand klotst met een zachtmoedige stijl.

Ter voorbereiding op zware processen mediteert hij op het strand, in de dagelijkse communicatie liggen woorden als ‘jongen’ en ‘lief’ hem in de mond bestorven. Soms lijkt hij wel weggelopen uit een roman – de makers hebben De verdediging trouwens een leader gegeven die helemaal de stijl van een dramaserie ademt.

Haarscherp brengt regisseur Monique Nolte het bleke koppie van De Vries in beeld als er vijftien jaar tegen zijn cliënt wordt geëist – ‘dubbele cijfers’ zeggen ze op kantoor. Daarna zie je hoe zich van alle advocaten een diepe ernst meester maakt. Zo’n grote eis is menens voor iedereen. Dan gaat het ineens niet meer over gewiekstheid, stoerdoenderij („Dit klusje gaan we klaren, deze man gaan we slachten”) of de flessen champagne van troebele herkomst die tevreden cliënten sturen. Dan zie je de overtuiging waarmee de advocaten iedereen (ja, dus óók…) verdedigen. Hun beroepsdevotie wordt in De verdediging mooi invoelbaar gemaakt.